"Hoeveel uur per week werk je?"
"Honderd tot honderdtien uur", antwoordde ik na enig rekenen. Ze negeerde het.
"Zit het dichter bij veertig of dichter bij zestig uur?"
"Zestig, want honderd tot honderdtien zit dichter bij zestig dan bij veertig", legde ik ten overvloede uit.
"Dichter bij zestig dan bij veertig uur", mompelde ze terwijl ze de verdraaide versie van mijn antwoord noteerde.
Toen ik twintig was werkte ik via een uitzendbureau in de piepschuimfabriek van de familie Van D. Ik moest daar de inhoud van een groot magazijn verplaatsen naar een nieuwe locatie. Middels een pompwagen (daar "handpallettruck" genoemd) reed ik zaken die wel tot duizend kilogram wogen naar de uitgang, waar een collega ze met een gemotoriseerd vorkheftuig naar het andere gebouw bracht.
Soms werd ik weggeroepen om elders in te springen. Zo moest ik eens een aantal ladekasten demonteren terwijl achter me gelast werd. Op zeker moment voelde ik iets zeer heets langs mijn nek en rug omlaag lopen terwijl er hilariteit klonk. Ik werkte rustig door. Die avond vond ik gestolde ijzerkorrels in mijn broek terwijl mijn nek lichte brandwonden vertoonde.
Een andere keer stuurde men mij naar een groot piepschuimmagazijn alwaar ik Ruud van D., de broer van oprichter Hendrik, moest helpen. Deze ruimte stond vol met zeer hoge stapels piepschuim. Van D. nam plaats op een vorkhefvehikel en beval mij op de metalen lippen daarvan te gaan staan. Dit bevreemdde mij omdat dit twee smalle gladde uitsteeksels waren zonder enig houvast, waarop ik slechts in een spreidstand kon plaatsnemen. Voor alle duidelijkheid, er lag geen laadbord op de lippen. Tegenspraak werd echter niet geduld. Toen ik stond reed Van D. naar een lage stapel piepschuimbalen en zei mij er een af te nemen, wat ik deed. Toen reed hij naar een hogere stapel en stelde het hefmechanisme in werking zodat ik mij dra diverse meters bovengronds bevond met een enorm voorwerp in mijn handen, staand op twee dunne spekgladde stalen staven, zonder vangnet of zekering. Toen commandeerde hij me de baal piepschuim boven op de stapel te leggen.
Zo waren we lange tijd bezig met omstapelen, hij zittend in zijn helse machine en ik mijn leven wagend als een circusacrobaat een meter of drie, vier hoger, steeds enkele balen tegelijk verplaatsend. Uiteindelijk, bij de laatste transportbeweging, toen ik meerdere piepschuimbalen droeg en mij reeds op stratosferische altitude bevond, reed hij op volle snelheid in op een stapel die al tot het plafond reikte zodat er onmogelijk nog wat bij kon. Ik twijfelde niet aan zijn opzet. Door de botsing wankelde de stapel en kwam het bovenste deel ervan op mij neer. Met mijn handen meer dan vol werd ik bedolven en viel achterover met mijn rug tegen de grote verticale ketting die daar liep. Onder me hoorde ik luid gelach en gespot. Als door een groot wonder stortte ik niet ter aarde maar bleef ik klem zitten tussen de piepschuimmassa en de ketting.
Tot mijn verbijstering liet Van D. mij niet terstond dalen teneinde me te bevrijden, maar dwong hij me eerst alle gevallen balen weer op de stapel te leggen. Dit was uitgesloten gezien mijn toestand, maar hij manoeuvreerde met gas en rem zodanig dat enkele balen door traagheid van mij af schoven of wentelden, waarna het mij lukte de rest te doen. Toen pas liet de heer Van D., nog bulderend van het lachen, de lippen zakken en mocht ik weer op vaste grond staan. Het werk was gedaan. Terwijl ik terugliep naar mijn afdeling vroeg hij — kan het ironie geweest zijn? — of ik die avond wilde overwerken. Ik weigerde, en vijftien minuten later kwam de chef me vertellen dat ik de volgende dag niet meer terug hoefde te komen.
In 1987 fietste ik door het bos tussen Lieshout en Gerwen. In de Reigerlaan was een huis in aanbouw. Er was prikkeldraad om het terrein gespannen, maar de twee waakhonden die er rondhingen trokken zich daar niets van aan toen ze mij hoorden naderen. Ze kropen luid blaffend onder de afzetting door, de openbare weg op, en voor ik iets had kunnen doen — niet dat enige actie van mijn kant het minste verschil gemaakt zou hebben — sprong de dobermann tegen me op terwijl de Duitse herder zich in mijn enkel vastbeet. Ik viel onmiddellijk met fiets en al om, maar slaagde er op miraculeuze wijze in weer op te staan voor ik geheel en al verscheurd was. Toen was het gedaan met mijn bewegingsvrijheid; bij elke beweging van mijn benen werd ik aangevallen door twee duidelijk daarop afgerichte bewakers. Ik moest stokstijf stil blijven staan met de dieren op enkele meters afstand. Als ze al incidenteel afdwaalden in de richting van het prikkeldraad en ik voorzichtig probeerde een paar stappen te zetten, werd ik onmiddellijk weer bestormd en fungeerde ik als de pakkenman bij een politiehondenoefening; maar dan zonder pak, en met twee K-9's in de plaats van een. Zo bleef ik anderhalf uur gegijzeld.
Toen kwam vanaf het volgende huis, zo'n honderd meter verderop, een groot vierbenig dier aangewandeld. Ik dacht eerst een koe of stier te zien, maar bij nadere beschouwing betrof het een Deense dog met een schofthoogte van ruim meer dan een meter. Mijn twee woefzeggende vrienden begaven zich naar de nieuwkomer om grommend hun territorium te verdedigen. Dit leidde hen zodanig af dat ik mij voetje voor voetje achteruit kon verwijderen, mijn Gazelle Tour de France aan de hand. Toen de afstand me veilig leek besteeg ik het rijwiel en reed weg van de drie hellehonden, recht naar het politiebureau.
Ik meldde daar het gebeurde, en men stuurde mij naar huis met de verzekering dat enkele agenten die avond naar me toe zouden komen om met mij de plaats delict te bezoeken en de zaak af te handelen. Inderdaad kwam een politiebusje aan de deur. Nadat ik nogmaals mijn verhaal gedaan had klonk het echter, "Kan het geen speelsigheid geweest zijn?" Toen wist ik dat van deze figuren niets te verwachten viel. Wat ik ook zei, het werd niet serieus genomen, en de dienaren van Hermandad vertrokken zonder verder onderzoek naar de misdaad te doen.
Midden jaren zeventig bezochten wij eens het pretpark Bobbejaanland. Moe geworden van achtbaan, Texastreintje, en bootjes met buitenboordmotor gingen we een grote hal binnen alwaar een voorstelling gehouden zou worden door de grote Bobbejaan Schoepen, die ik geheel niet kende. Het bleek echter een door heftig opgemaakte meisjes gepresenteerde wedstrijd op stilstaande fietsen te betreffen, waarbij grote wijzers de afgelegde afstand aangaven. Ik mocht meedoen en won met gemak de eerste twee rondes. Dit verbaasde mij niet want ik kon hard fietsen en had nog nooit meegemaakt dat iemand van mijn leeftijd me ook maar in de verte bij kon houden. Toen daarna de finale aanbrak moest ik plaatsnemen op een andere fiets, de meest linkse van de zaal uit gezien. Daarvoor had ik op de middelste gezeten. Na het startschot voelde ik meteen dat het mis was; deze fiets trapte veel zwaarder dan de eerdere! Ik kwam bijna niet vooruit op het virtuele parkoers en werd eerloos laatste. De onrechtvaardigheid hiervan trof mij diep, maar het pleit voor me dat ik niets liet merken en opgewekt de troostprijs in ontvangst nam; een kartonnen doos vol opspeldbare ronde witte schijven, die men later "buttons" zou gaan noemen, maar dat woord bestond toen nog niet.
Terzijde moet hier opgemerkt worden dat enkele van mijn tegenstanders in de voorrondes hetzelfde nadeel ervaren moeten hebben op de zwaar trappende fiets. Dus niet alleen mijn verlies in de finale, maar ook mijn winst daarvoor kan onterecht geweest zijn. Zelfs dat nemen ze je af. Zelfs dat.
"Waar koop jij altijd je voetbalkaartjes?" vroeg iemand me eens. Een fraai voorbeeld van projectie: Men bezoekt geregeld voetbalwedstrijden en veronderstelt onbewust dat de ander dat ook doet. Men projecteert de eigen geestinhoud en gewoonten onwillekeurig op anderen. Veelzeggend in dit verband is die keer dat een geesteszieke mij toevoegde "Wat doe jij altijd met die kleine zwarte mannetjes die onder je dak wonen en zeggen dat je je van kant moet maken?"
In mijn kindertijd gingen wij eens met de buurtvereniging naar een speeltuin. Ik had aan zulke groepsuitstapjes een enorme hekel, maar werd ertoe verplicht omdat ik anders te weinig onder de mensen kwam en asociaal zou kunnen worden, zo zei men. Op een kwaad moment ging ik met mijn van huis meegekregen gulden naar de ter plaatse aanwezige frietkraam. "Hebben jullie ook friet?" vroeg ik het kauwgum kauwende meisje achter de toonbank.
"Nee, wij hebben helemaal geen friet!" antwoordde ze beslist, pakte de gulden tussen mijn vingers vandaan, wierp die in de kassa, haalde er een dubbeltje uit, en gaf dat aan mij. "Daar kun je nog een lolly voor kopen!" adviseerde ze ongevraagd alvorens met de armen over elkaar tegen de wand te gaan leunen.
Verbijsterd liep ik weg van dit helse oord. Dan maar geen eten die dag. Pas decennia later kwam het in me op dat de jonge horeca-uitbaatster misschien een wrede grap gemaakt had, en ik uiteindelijk toch friet gekregen zou hebben als ik enige minuten gewacht had. Het had immers wel naar friet geroken daar. Maar waarom had ze me dan niet teruggeroepen? Hoe dan ook, het zijn gebeurtenissen als deze die de kinderziel voorgoed beschadigen.
Soms onderschat men je. Tijdens de hittegolf van 2006 vertrok ik eens op een zondagochtend om kwart voor vijf voor een hardloopoefenzitting. Dit vroege tijdstip koos ik om de hitte te ontwijken. Hittegolven zijn het ideale hardloopweer, maar men moet er vroeg bij zijn. De omstandigheden waren volmaakt, en toen ik rond elf uur terug was had ik vijftig kilometer afgelegd zonder noemenswaardige inspanning of transpiratie. Aansluitend wandelde ik over de vlooienmarkt, die op deze dag in de wijk gehouden werd en juist op gang begon te komen. "Ook al wakker?" vroeg iemand me. Ja, soms onderschat men je.
In de eerste jaren van mijn conservatoriumstudie kregen wij onderricht in het vak contrapunt. Op zekere dag droeg de leraar ons op de expositie — dat wil zeggen, het eerste deel — van een barokfuga te schrijven. Toen enkele dagen later de volgende les aanbrak had ik een volledige fuga voltooid. We gingen rond de piano zitten of staan, en de docent speelde het door de studenten gewrochte werk handmatig. Zo ging dat in die tijd. Spoedig — geen der andere adepten was verder gekomen dan enkele maten — was mijn stuk aan de beurt. Bewegingloos ondergingen de musici mijn compositie. Toen de stilte na afloop de oren verdoofde en men na enige seconden weer durfde ademen, vroeg de lesgever: "Heb jij dit geschreven?"
"Ja", antwoordde ik.
"Dan heb je wel even de geest gehad".
In de vroege jaren tweeduizend zag ik op weg naar huis een neergekomen luchtballon met een kaartje eraan in de struiken liggen. Ik nam het luchtvaarttuig mee en las dat een verrassing mij wachtte indien ik contact zou opnemen met een zeker telefoonnummer. Thuisgekomen belde ik prompt het vermeldde nummer en kreeg te horen dat ik die avond geheel gratis een demonstratie in mijn woonkamer zou krijgen. De precieze aard der voorstelling wilde men niet verraden, maar het zou de moeite zijn, zo werd mij gegarandeerd. Ik zegde toe.
Op de afgesproken tijd meldde een man met een apparaat zich aan de voordeur. Na binnenkomst bleek het om een stofzuiger te gaan. Maar geen gewone! De man vroeg me met mijn eigen stofzuiger een stuk vloer te reinigen, wat ik deed. Daarop ging hij er met de meegebrachte zuiger overheen. En inderdaad, de vloer werd nog een beetje schoner. Dit zou wonderen doen voor mijn huisstofallergie, legde hij uit.
Toen haalde de man een sigaret tevoorschijn. Ik wees hem erop dat dit niet toegestaan was te mijner huize, maar hij drong met kracht aan te mogen roken om zo de luchtzuiverende werking van het toestel te kunnen aantonen. Met tegenzin gaf ik permissie, geschokt dat hij zoiets ook maar durfde voorstellen. Na de zuigslang losgekoppeld te hebben monteerde hij een filter voor het inlaatgat, stak de kankerstaaf op, en produceerde enige minuten lang zijn giftige wolken terwijl de contraptie op mijn eettafel stond te loeien. Daarna toonde hij het filter, waarop daadwerkelijk een flink residu achtergebleven was. De binnenlucht zou stukken gezonder worden door deze methode dagelijks een kwartier in elk vertrek toe te passen, bezwoer de ijverige vertegenwoordiger; want ja, ik begon langzamerhand te vermoeden dat het om een verkoopdemonstratie ging en de man niet gaarne zou vertrekken zonder zijn duivelse machine voor veel geld achter te laten.
Maar nog waren de gebruiksmodaliteiten der zuiger niet uitputtend gedemonstreerd; ook aromatherapie lag desgewenst binnen mijn bereik, begreep ik. De man zette een knop om zodat het apparaat ging blazen in plaats van zuigen, en bracht voor het gat een dot watten aan waarop hij enig lavendelextract uit een flesje had gedruppeld. Na inschakeling vulde de kamer zich met de kenmerkende geur. "Heel rustgevend!" brulde de verkoper boven het oorverdovende lawaai uit.
Toen ook dit theater ten einde was kwam hij ter zake en vroeg of ik interesse had. Ik zei dat het apparaat zeker interessant was, maar dat ik al een stofzuiger had die nog werkte en dus geen nieuwe benodigde. Dit leek mij logisch, maar om de een of andere reden kon hij het niet zo zien, en een verhitte discussie volgde waarin hij me op vele manieren trachtte te verleiden tot aankoop. Uiteindelijk vroeg ik wat het ding kostte. Na minutenlang ontwijken noemde hij het bedrag: zeventienhonderdvijftig euro.
Geschrokken vertelde ik hem dat ik onmogelijk zoveel aan een stofzuiger kon uitgeven. De man, die in de loop van zijn argumentatie allengs bozer en agressiever geworden was, accepteerde mijn weigering niet en zei dat hij dit nog nooit meegemaakt had. Hoe kon iemand niet op zo'n aanbieding ingaan?! Hij stond erop via mijn telefoon een verbinding met zijn werkgever tot stand te brengen, zodat ik aan die laatste zou kunnen uitleggen waarom ik in vredesnaam niet tot aanschaf wilde overgaan (Voor jongere lezers moet ik hier misschien vermelden dat in die dagen nog niet veel mensen een mobiele telefoon hadden; telefoons zaten middels een draad vast aan een soort stopcontact in de muur). Aldus geschiedde; ik verklaarde telefonisch dat ik reeds een stofzuiger bezat die het goed deed en dus geen nieuwe hoefde te kopen, en bovendien zou ik zo nodig twintig vervangende apparaten kunnen krijgen voor de prijs van de aangeboden wonderzuiger. In tegenstelling tot de vertegenwoordiger, die ondertussen bijkans het kookpunt bereikt had, begreep zijn baas deze redenatie onmiddellijk en vroeg me hem nog even met zijn ondergeschikte te laten spreken.
Na afloop van de telefonade verliet de stofzuigerverkoper het pand, plots weinig spraakzaam. "En bedankt voor de koffie!" snauwde hij terwijl hij weg beende over het trottoir. Ik stond perplex; ik had hem immers helemaal geen koffie gegeven!
In eerste jaren van mijn middelbareschooltijd moesten wij soms voetballen tijdens de gymnastiekles. Op een keer was het gras nat en schoof ik uit bij het al lopend geven van een voorzet. Ik zweefde korte tijd ruggelings in de lucht en stortte toen hard ter aarde. De pijn in mijn rug was ondraaglijk, en automatisch rolde ik schreeuwend en kreunend heen en weer; de zogeheten "rollende pijn", ook geassocieerd met nierstenen en bekend staand als de ergste aller pijnen. Op mededogen hoefde ik echter niet te rekenen, laat staan op het inroepen van medische hulp.
"Sta op aansteller, doorspelen. Als je zo doorgaat zul je altijd het kneusje van de klas blijven!" aldus de gymnastiekleraar. Dat waren in die tijd een soort kampbeulen, en dat woord gebruik ik hier geheel passend en zonder overdrijving. Veel kon ik echter niet meer aan de wedstrijd bijdragen gedurende de rest van de les. Sterker nog, het duurde zo'n drie weken voor ik weer normaal kon lopen, en de paars-blauwe kleuren die rond enige ruggenwervels verschenen kon men ongeveer een jaar later nog zien, toen ik in het ziekenhuis een allergietest op mijn rug onderging en de vraag kreeg wat daar in hemelsnaam gebeurd was. Wederom is hier niets overdreven. Was dit in de huidige tijd voorgevallen, dan zou ik linea recta van het sportveld naar de spoedeisende hulp vervoerd zijn voor onderzoek en X-straalopnamen. Pas jaren later kwam het besef dat ik indertijd waarschijnlijk een of meer ruggenwervelbreuken opgelopen heb die zonder behandeling genezen zijn terwijl ik in het dagelijks leven moeizaam voort strompelde. Maar dat zal natuurlijk nooit meer bevestigd worden. Zo gaat dat met traumata die niet in de tijd zelf herkend en geverifieerd zijn. Ja, zo gaat dat.
Tijdens mijn conservatoriumstudie kregen we enkele jaren les in het vak psychologie. Op een kwade dag vertelde de docent ons dat liegen normaal sociaal gedrag is, dat iedereen het vele malen per dag doet, en dat het heel gebruikelijk en aanvaardbaar is zich ziek te melden als men geen zin heeft naar school of werk te gaan. Aangezien ik zelf nog nooit gelogen had was ik diep geschokt en woedend door deze beledigingen. Want "iedereen", daar viel ik ook onder; ik werd dus onheus voor leugenaar uitgemaakt. Ik moest mij met geweld inhouden om niet naar voren te stormen en hem de hersens in the beuken, en — vergisse men zich niet — dat zou geheel verdiend geweest zijn. Mijn toen aan de dag gelegde emotionele zelfbeheersing was werkelijk fabelachtig en bewees eens en voor al dat mijn "E.Q." — voor zover dat concept met een realiteit correspondeert — niet onderdoet voor mijn I.Q.
Pas jaren later zou ik ontdekken dat het opzettelijk propageren van onwaarheden omtrent menselijk gedrag endemisch is in de sociale "wetenschappen" en de zeer verdorven doelen van het cultuurmarxisme dient. Niet lang na mijn afstuderen kwam de psychologieleraar, die ook politicus was, in het landelijk nieuws vanwege zijn betrokkenheid bij de affaire rond Jaap de Hoop-Scheffer, die het ondanks een dolkstoot in de rug door voornoemde leraar toch nog tot secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie schopte.
"Wat hangt er toch een walgelijke geur van arrogantie en eigendunk om jou heen", zei iemand me midden jaren negentig. "Neem een voorbeeld aan mij; ik stel me steeds bescheiden op, dat maakt een veel betere indruk!"
Geduldig expliceerde ik hem dat wanneer men zich bescheiden opstelt om een goede indruk te maken dit bepaald niet getuigt van intrinsieke bescheidenheid, maar dat zulks integendeel juist zijn manier was om te brullen "Ik ben de grootste!" Tevens wees ik hem er op dat het tot voorbeeld stellen van een aan zichzelf toegeschreven eigenschap toch wel het toppunt van hoogmoed betrof. Of mijn vriendelijke uitleg in goede aarde viel kon ik niet peilen; feit is dat ik daarna nooit meer wat van hem vernomen heb.
"Mijn man verbetert me steeds. Hoe krijg ik hem zover dat hij daarmee stopt?" vroeg een vrouw in een krantenrubriek waar men vragen aan een psycholoog kon stellen. In zijn antwoord toonde de psycholoog eerst op empathische wijze begrip voor het lijden van de vraagstelster, waarna hij begon uit te leggen wat zij zoal kon ondernemen teneinde het wangedrag van haar wederhelft te corrigeren. Ik ga hier niet in op de details van zijn betoog omdat zulke kwezelpraat mij vanzelfsprekend een gruwel is.
Wat hij had moeten zeggen is "Wees blij dat uw eegade u verbetert, want daar leert u van. Het is een kans uzelf te verbeteren. Ieder correctie die u mag ervaren is voor u een leermoment, een oogopener. Negeert u zijn verbeteringen, dan zijn dat evenzovele gemiste kansen." Ja, dat had de psycholoog van de Nieuwe Rotterdamse Courant moeten zeggen. Maar hij zei het niet. Nee, hij zei het niet.
Begin jaren negentig — van de twintigste eeuw, moet men daar ondertussen misschien bij zeggen — frequenteerde ik een huiskamerbijeenkomst waar een jongeman aanwezig was die universitair docent beweerde te zijn. Wat precies zijn vakgebied was bleef vaag, en ik kreeg het idee dat men daarnaar niet behoorde te vragen. Hij gaf hoog op van het postmodernisme. "Ik snap niet dat jullie nog niet volop in het postmodernisme zitten?!" voegde hij ons toe, waarna hij dit gat in onze ontwikkeling trachtte te dichten met betogen waarvan niets inhoudelijks mij bijgebleven is. Wel staat me levendig voor ogen hoe hij, op gezette tijden, zich halverwege een zin onderbrak, opsprong, de armen spreidde, en uitriep I'm here, I'm queer, check me out! waarna een bepaald meisje spontaan applaudisseerde met de woorden "Hee, helemaal okay man!" De overige bezoekers negeerden deze interrupties en zetten de avond voort alsof zij niet plaatsgevonden hadden.
Sommigen hebben de gewoonte zaken te lenen met de belofte die binnen bepaalde tijd terug geven, en vervolgens de afgesproken periode voorbij te laten gaan alsof de afspraak over teruggave nooit gemaakt is. Vraagt men dezulken uiteindelijk het geleende te retourneren, dan komt hun ware aard boven: "Waar heb je het voor nodig dan?" Zij doen alsof het van hen is! Waarachtig, ze beschouwen het artikel als hun eigendom. De intentie tot teruggave heeft nooit bestaan.
Maant men nogmaals, dan gaat het van "Maar ik dacht dat we vrienden waren! Ik ben altijd zo goed voor je geweest. Hoe durf je dit terug te vragen, egoïst!" Of, ook een voorkomende variant, "Te laat! Ik heb het al aan mijn jongere broertje gegeven. En ik ga het echt niet terugpakken van hem, dan breek je toch het hart van zo'n kind?! Wat ben jij er voor een?!"
Zulke mensen zijn psychopaten. Wees alert en denk aan lijf en leden; blijven aandringen op het nakomen van de verplichting leidt met zekerheid tot lichamelijk geweld.
In de vroege jaren tweeduizend kende ik iemand die aan hardnekkige betrekkingswanen leed. Dagelijks bestudeerde zij met bijzondere aandacht bepaalde eenregelige stripverhalen in de krant; want die gingen steevast over haar. De auteur moest digitaal ingebroken hebben in haar elektronische rekenaar, zo was de overtuiging van deze patiënt, en gebruikte nu haar autobiografische schrijfsels als inspiratie voor zijn dagelijkse tekeningetjes.
Maar het werd nog erger: Ook de televisieserie "Fantasie-eiland" — Ze pleen! Ze pleen! — bleek naadloos gebaseerd te zijn op haar literaire werk. "Ik ben gehakt!" verzuchtte ze, "maar ze zullen het nooit toegeven". Toen ik haar vertelde dat voornoemd kijkbuisfeuilleton dateerde van de late jaren zeventig tot de vroege jaren tachtig, en dat zij toen haar eventuele schrijfwerk ongetwijfeld nog op papier verricht had zodat het onmogelijk langs digitale weg ontvreemd kon zijn, sterkte dit haar slechts in deze waan: "Dus jij gelooft me ook al niet? Maar ik zie toch wekelijks dat elke aflevering akelig precies volgens mijn verhaallijn verloopt! En ik heb die verhalen nu wel degelijk in mijn computer zitten. Het kan niet anders of ik word week na week gehakt!" Ik probeerde nog uiteen te zetten dat, gezien de richting van de tijd, informatie die nu gestolen wordt niet de basis kan zijn voor een productie die reeds een kwart eeuw eerder voltooid werd, maar het baatte niet.
O, X., als je dit soms leest: Nee, het gaat niet over jou.
Er zijn mensen met oprechte wetenschappelijke nieuwsgierigheid; zij willen altijd alles weten en begrijpen. Zij zoeken immer de waarheid en kennen geen rust zolang die niet gevonden is. Geconfronteerd met een zienswijze die afwijkt van de hunne vragen zij zich standaard af "Zou dit waar kunnen zijn?" en onderzoeken die mening teneinde het waarheidsgehalte ervan vast te stellen. Deze mensen voelen zich onweerstaanbaar aangetrokken tot theorieën en hypothesen die indruisen tegen hun bestaande wereldbeeld. Daar leren zij van, zo komen zij steeds dichter tot het ware.
Er zijn daarentegen ook personen die geen tolerantie hebben jegens afwijkende meningen, en onmiddellijk met de uiter ervan in "discussie" willen om die uiter over te halen tot het eigen standpunt, om die uiter te overtuigen van de onjuistheid van het door de uiter gezegde. Zij staan erop de ander te "weerleggen" en rusten niet alvorens de ander hen tot in elk detail gelijk gegeven heeft. Zij kunnen het simpelweg niet verdragen dat een mens een ander gezichtspunt heeft. Zij dulden geen tegenspraak. Zij tolereren niet dat iemand uit hun pas loopt.
En daar blijft het niet bij; lukt het niet de dissident via "discussie" of "debat" tot zwijgen en instemmen te brengen — en soms faalt dat onvermijdelijk omdat tegen waarheid immers geen argumenten bestaan — dan gaat deze tweede categorie, als men hun toestaat, over tot het verbieden van de afwijkende mening, en tot het handhaven van zulk verbod, indien nodig met geweld en in ultimo met dodelijke afloop. Ja, zo zijn ze, de intoleranten, de haters.
En, hebt u al begrepen tot welke categorie u behoort?
"Jij hebt toch die plaat van Jackson Browne? Met die meid in tijgerpakje op de hoes?" vroeg M., die zich als groot muziekkenner zag, het begin van Duncan Browne's The wild places neuriënd. "Schitterend vind ik dat."
"Je bedoelt The wild places? Dat is van Duncan Browne, niet Jackson Browne. Dat is heel iemand anders. Het betreft trouwens een luipaardmotief, geen tijger. Ja, die plaat heb ik."
"Nee hoor, dat is Jackson Browne. Je kent je eigen platen niet eens! En wat vind je van Jim Morris, die gitarist van The Doors?"
"Gitarist? De zanger van die groep heette Jim Morrison, niet Morris. Bedoel je die?"
"Moet je het weer beter weten? Iedereen zegt toch gewoon Jim Morris? Morrison heb ik nog nooit gehoord. Als gitarist behoor je zulke dingen te weten! En ken je dat nummer van iesie-diesie?" Op ongeschoolde wijze bracht hij de eerste tonen van Smoke on the water tot klinken. Nadat ik hem verklapt had dat dit tot het oeuvre van Deep Purple behoorde en niet dat van AC/DC barstte hij los: "Wat ben je toch een koppige ezel! Jij zult ook nooit eens je ongelijk toegeven! Zo ga je het nog moeilijk krijgen in je leven mannetje, want mensen houden niet van iemand die alles beter weet!"
En wat dat laatste betreft moest ik hem uiteindelijk gelijk geven; mensen houden niet van iemand die alles beter weet. Maar dat maakt onwaarheid niet tot waarheid.
Tegenwoordig schaamt men zich nog zelden. Wel doet men alsof men zich schaamt, en dan bij voorkeur plaatsvervangend. Zo hoorde ik het verhaal van een vrouw die in België aanwezig was geweest bij een gezamenlijke maaltijd in een eethuis, waarbij een der gasten — uiteraard een Nederlandse — geprotesteerd had tegen het hoofdelijk omslaan der rekening omdat zij slechts wat gedronken had en het niet eerlijk vond mee te moeten betalen aan het door anderen genuttigde vaste voedsel. "Ik schaamde mij zo!" aldus de vertelster van dit kwaadaardig lasterlijke betoog.
Maar natuurlijk had zij zich niet daadwerkelijk oprecht geschaamd. Het betreft hier geveinsde plaatsvervangende schaamte die met nadruk geuit wordt teneinde een bepaalde ander het gevoel te geven dat die ander iets heel erg fout gedaan heeft; dat die ander zich hoort schamen. Men doet alsof men zich schaamt over de ander om die ander een slecht gevoel te geven. Dit is communicatie omwille van het emotionele effect, niet om een ware inhoudelijke boodschap over te brengen. Het is de communicatie van emotie-gedrevenen met een zwak ontwikkelde rationaliteit. Om stigmatisering te voorkomen is het beter die groep niet nader aan te duiden, wat overigens met een enkel woord heel eenvoudig zou kunnen.
Vanzelfsprekend hoeft niemand mee te betalen aan andermans voedsel. Het is normaal om alleen de rekening voor het zelf gebruikte te voldoen. Wie meent te moeten insinueren dat zulks een reden tot schaamte is, die moet zich schamen.
R. belde mij eens en vertelde enigszins opgewonden dat ik dringend gevraagd werd in mijn hoedanigheid van musicus. Twee cellistes zouden optreden bij de opening van een tentoonstelling en hadden dringend een gitarist nodig. Hun vaste vaste snarentrekker was plotseling ziek geworden, aldus R. Ze hadden veel over mij gehoord en wilden me onverwijld als invaller. Ik hoefde slechts "ja" te zeggen.
Omdat ik het verhaal niet direct vertrouwde en door de telefoon niet meer uit hem kon krijgen, ging ik naar R. toe en ondervroeg hem over de behoeftige cellistes. Na lang vragen, met horten en stoten, kwam ik te weten dat de meisjes mij als gitarist nog geheel niet kenden. Sterker nog, ze wisten niet eens dat ze een gitarist benodigden. Nog sterker, R. kende hen niet en had nooit enig contact met ze gehad. Hij had in een krant over het optreden gelezen en de rest erbij verzonnen.
Zulk gedrag noemt men wel "sociopathisch"; mensen onware dingen over elkaar vertellen teneinde ze tegen elkaar uit te spelen of op valse gronden met elkaar in contact te brengen. Er bestaat geen wezenlijk verschil tussen een sociopaat en een psychopaat. Ik heb in mijn jeugd verscheidene van zulke lieden gekend, en zonder uitzondering zijn ze beland in gekkenhuis, gevangenis, of vroegtijdig in de houten pyjama.
Nooit, niet één enkele keer, heb ik gezien dat een sociopaat zijn leugens erkende of anderszins zelfinzicht toonde. Nooit.
Vroeger zei men "Wie zijn billen heeft gebrand moet op de blaren zitten". Sindsdien lijkt een generatie getogen te zijn die zonder zulke gevolgen op de kachel wil kunnen plaatsnemen. Op een sociaal medium zag ik een zeer dik persoon die meldde een middel ontdekt te hebben waardoor hij kilo's per maand afviel zonder iets aan zijn eet- en leefgewoonten te veranderen.
"Eindelijk een pil die me mijn slechte gewoontes laat houden!" juichte hij.
"Als die pil je je slechte gewoontes laat houden, welk probleem lost die pil dan op?" vroeg ik hem. "Zijn niet de slechte gewoontes het echte probleem?" Uiteraard werd ik prompt ontvriend. Ja, we zitten met een generatie opgescheept — minstens één — die straffeloos de billen wil branden.
Eens droomde ik dat een grote dikke spin over mijn gezicht kroop. Dit was heel eng. Gelukkig werd ik wakker en constateerde opgelucht dat het slechts een droom geweest was; tot ik opstond en op de muur nabij mijn bed een grote dikke spin zag zitten waarvan het web naar mijn hoofdkussen liep.
Maar het kan erger. Enige decennia na het voorval met de achtpotige werd ik wakker van gezoem rond mijn hoofd. Aanvankelijk dacht ik met een mug van doen te hebben, maar dra bleek het gezoem te diep en luid voor een dergelijk insect. Ik stond op en deed het licht aan middels de naast de deur aangebrachte schakelaar; ik begrijp dat anderen dat vanuit bed kunnen, maar heb zelf nooit over een voorziening beschikt waarmede men het slaapkamerlicht vanuit de sponde bedienen kan. Toen zag ik enkele wespen door de kamer vliegen. Terwijl ik mij afvroeg hoe die binnengekomen waren viel mij een tikkend gerucht op. Het was of iets of iemand tegen het raam tikte.
Ik liep er naartoe en trok het rolgordijn op. Aan de buitenkant van de ruit kropen honderden wespen langzaam tegen het glas omhoog naar het ventilatierooster. Aan de binnenkant van het rooster zag ik tientallen koppen van insluipers die zich moeizaam naar binnen trachtten te wurmen. Ik sloot het rooster, wat niet volledig lukte door de erin klem zittende dieren, maar met enige kracht kon ik ze verpletteren en zo de toegang afsluiten. Ik doodde de reeds binnengekomen predatoren en kleedde me snel aan om een en ander van buitenaf te bekijken. Op straat zag ik de zwerm op het raam zitten. Misschien hadden ze zich vergist en zagen het rooster voor hun nest aan? Misschien was het nest vernietigd? Hoe dan ook, na een paar minuten leek de horde door te hebben dat er geen schot meer in zat, en in een sierlijke boog verplaatste de massa zich zoemend naar de dichtstbijzijnde brandende lantaarnpaal. Ik vertrouwde het niet meer en ging terug naar binnen. Toen het ochtend werd waren ze verdwenen. Ik moest die dag een hoeveelheid tijd besteden aan het opruimen van dode wespen op de vensterbank en in het ventilatierooster.
In het eindexamenjaar van mijn middelbareschooltijd moest ik bij de decaan komen ter bespreking van mijn beroepskeuze en vervolgopleiding. Ik vertelde hem dat ik wel naar het conservatorium zou willen om tot gitarist opgeleid te worden. Hoofdschuddend greep hij een brochure uit zijn rek en zei te betwijfelen of dat voor mij wel een geschikte studie was. Hij opende het drukwerk en toonde me enige foto's, genomen in het conservatorium van Tilburg. Hierop zag ik jongens en meisjes in balletpakjes die voor een spiegel oefeningen uitvoerden. "Zie je jezelf er al zo bijstaan?" vroeg hij.
"Maar ik wil gitaar studeren, geen ballet", verduidelijkte ik.
"Kan zijn, maar iedereen moet daar ook ballet volgen", bezwoer de man me, die overigens zijn naam van een pot uitjes leek te hebben. Aangezien het vooruitzicht in zo'n pakje aan de barre te staan mij niet bijzonder aantrok, zag ik terstond af van mijn plan conservatoriumstudent te worden. Pas enkele jaren later ontdekte ik dat het geheel onwaar was dat men op zo'n instituut ballet of dans onderwezen kreeg; het draaide er uitsluitend om muziek en pedagogiek. Weliswaar had het Brabants conservatorium een dansacademie die in hetzelfde gebouw gehuisvest was — vandaar de foto's waarschijnlijk — maar daar kreeg men als muziekstudent niets mee te maken. De onjuiste informatie van de decaan had mijn ontwikkeling met jaren vertraagd.
Tijdens ditzelfde gesprek voorspelde de man ook dat hij een toekomst op een groot kantoor voor me zag. Met een blonde, een donkere, en een roodharige secretaresse, die op vingerknip naar mijn pijpen zouden dansen. Ook dat is onjuist gebleken.
In de vroege jaren tweeduizend was ik lid van een digitale discussiegroep. Op enig moment kwam het onderwerp "voorspellende dromen" ter sprake, en sommigen gaven voorbeelden van kennelijk waarheid geworden dromen die zij gehad hadden. Ik wees erop dat hier sprake van zelfbedrog kon zijn doordat men de kans onderschat dat iets, gelijkend op de droominhoud, binnen enige dagen door toeval plaatsvindt. Ter demonstratie vertelde ik mijn droom van de afgelopen nacht: twee vliegtuigen cirkelden rond het brouwerijterrein te Lieshout en boorden zich uiteindelijk in de mouterij. Deze toren stortte daarop verticaal ineen, en ik moest wegrennen door de straten van het brouwersdorp, voor de enorme stofwolk uit die zich over het schilderachtige plaatsje verspreidde.
"Aangezien vliegtuigongelukken gemiddeld twee maal per week in het nieuws zijn zal het lijken of deze droom binnen enkele dagen uitkomt", voorspelde ik. Men bekritiseerde mij hevig als zijnde overdreven sceptisch en cynisch.
De volgende dag — elf september tweeduizend-één — piepte men wel anders. Of eigenlijk juist niet, want de meesten vonden dat het bewijs van het bestaan van voorspellende dromen door mijn voorbeeld definitief geleverd was, en mijn ongelijk pijnlijk direct aangetoond. Ik leek zowat de enige te zijn die niet geloofde dat dit een voorspellende droom geweest was. Het verschijnsel van zelfbedrog door het onderschatten van de kans dat iets bij toeval gebeurt had men dus nog steeds niet begrepen.
"Bij die regionale bladen werkt uitsluitend het laagste van het laagste op journalistiek gebied", sprak R. toen ik eens bij hem op bezoek was en we onze frustratie gedeeld hadden over het gruwelijke verdraaien van onze woorden in krantenartikelen waarin we ondervraagd werden na het winnen van onze respectievelijke literatuurprijzen. Amper was de nagalm zijner woorden verstorven of de deurbel ging. Het bleek de regionale verslaggever E. V. te zijn, die bevriend was met R. Half stikkend van de lach vertelde ik hem wat R. zojuist over regionale journalisten gezegd had. Tot mijn verbijstering keerde R. om als een blad aan een boom en ontkende uit alle macht iets dergelijks ooit beweerd te hebben. Hoe kwam ik erbij!
Nooit zal ik het begrijpen, dat glasharde liegen, die intrinsieke onwaarachtigheid. Ik heb het zelf nooit gedaan noch gekund.
Toen R. in het eindexamenjaar van zijn middelbare school zat — ikzelf had die al enkele jaren eerder afgesloten — vertelde hij dat zijn economieleraar, die ook de mijne geweest was, het begrip "prijselasticiteit van de vraag" onderwezen had. Dat was de procentuele prijsverandering gedeeld door de procentuele vraagverandering, aldus R.
"Nee, het is de procentuele vraagverandering gedeeld door de procentuele prijsverandering!" corrigeerde ik hem. "Je draait het om! Het is immers de mate waarin de vraag verandert bij een gegeven prijsverandering."
Uit alle macht sprak R. mij tegen en herhaalde zijn misvatting. Wat ik ook zei, hij bleef volharden in de omkering der werkelijkheid. Tenslotte spraken we af dat hij in de eerstvolgende economieles de leraar zou vragen wat de juiste formule was. Om hem tevreden te stellen ging ik daarmee akkoord, al was die verificatie voor mij geheel overbodig omdat ik zeker wist gelijk te hebben.
Enige dagen later zag ik hem weer. Tot mijn verbijstering — al had ik het kunnen weten, hem kennende — beweerde hij dat de docent hem gelijk gegeven had. "Dus volgens hem is prijselasticiteit de procentuele prijsverandering gedeeld door de procentuele vraagverandering?!" riep ik uit.
"Nee, domme P." sprak R. bestraffend. "Uiteraard bevestigde hij wat ik je al zei: prijselasticiteit is de procentuele vraagverandering gedeeld door de procentuele prijsverandering. Het zou je sieren nu ruiterlijk je ongelijk te erkennen".
"Maar dat is wat ik de hele tijd gezegd heb! Jij zei juist het omgekeerde. Hij heeft dus mij gelijk gegeven, niet jou!" probeerde ik nog, maar het hielp niet. De psychopathische leugenaar en manipulator werd bozer, agressiever, en dreigender naarmate ik bleef vasthouden aan de waarheid.
"Dat valt me van je tegen P., dat je te kleinhartig bent je fout te toe te geven en nu zelfs de zaken volledig omkeert om jezelf alsnog in het gelijk te stellen. Foei!" Toen ik een laatste poging deed hem de logica van het begrip "prijselasticiteit van de vraag" uit te leggen opdat hij zou inzien dat ik die vanaf het begin doorzien had, viel hij me schreeuwend in de rede: "Genoeg! Jou wil ik voorlopig niet meer zien!" En met zijn handen tegen beide oren gedrukt om de waarheid niet te hoeven horen beende hij woest het huis uit. Nooit zou hij zijn ongelijk erkennen. Elke latere poging mijnerzijds terug te komen op het onderwerp resulteerde in een uitbarsting van blinde woede en donkere dreigementen. Ik vertel dit hier om de aard van dergelijke sociopaten of psychopaten te illustreren. Zoals ik al eerder meldde: Ik heb in mijn jeugd verscheidene van zulke lieden gekend, en zonder uitzondering zijn ze beland in gekkenhuis, gevangenis, of vroegtijdig in de houten pyjama.
"Ik voel altijd alles wat anderen voelen, en weet wat ze denken. Dat is ongelooflijk belastend en vermoeiend", vertrouwde iemand mij eens toe. "Het maakt me kapot, ook geestelijk. Ik heb bijvoorbeeld absoluut geen geheugen meer."
"Wat voel en denk ik nu dan?" vroeg ik; een logische vraag leek mij toen, en lijkt me nog steeds.
"Dat weet ik natuurlijk niet! Hoe kan ik nou weten wat jij denkt en voelt?!" reageerde ze, geheel in strijd met haar onmiddellijk daarvoor gedane bewering.
"Je zei toch dat je altijd alles voelt en weet want anderen voelen en denken?"
"Dat was toen! Omdat het zo slopend was heb ik me laten afsluiten door een medium; nu krijg ik niets meer door", legde ze uit tot mijn teleurstelling. "Dat geeft zoveel rust." Enige tijd zat ze rond te kijken in de huiskamer, onderwijl neuriënd als om de galm van de ruimte te testen. "Er zijn hier veel klankwezens", bemerkte ze tenslotte.
"Ja, de akoestiek is goed in deze kamer. Ik maak hier wel eens opnames van mijn gitaarcomposities", sprak ik.
"Akoestiek? Nee nee, dat zijn klankwezens", corrigeerde ze verwijtend. "Zo'n compositie zou ik graag eens willen horen, maar ik zie dat je wilt dat ik ga, dus het zal voor een andere keer zijn."
"Maar ik wil helemaal niet dat je gaat! Ik zal mijn gitaar pakken, dan kan ik een stuk laten horen dat ik momenteel in studie heb."
"Doe geen moeite, ik weet dat je wilt dat ik ga. Ik zei toch dat ik altijd voel wat een ander denkt! Zie je nu dat ik gelijk heb?" Ze trok haar jas aan en liep naar de deur. Ik deed geen poging meer haar wanen te rectificeren.
[Meer proza door Paul Cooijmans] [Naar Nederlandstalige hoofdpagina]