Opmerking vooraf (2006): Dit verslag maakte ik tijdens mijn studie aan het conservatorium over het bijwonen van een aantal lessen op een muziekschool.
Duur: 25 min. Drie leerlingen gedurende 3 weken gevolgd. De docente geeft ook groepslessen, aan zowel kinderen als volwassenen, en zegt dit leuker te vinden dan individuele lessen. Ook de leerlingen vinden dit leuk; er is een groep die al jaren samen les heeft. De groepslessen duren langer.
± 16 jaar, vrouwelijk, heeft 1½ jaar les.
Zegt dat ze vaak geen zin heeft om te studeren. Is bezig met een stuk dat vrij moeilijk voor haar is. De twee lessen die ik met haar gevolgd heb werden geheel aan dit stuk besteed (eigenlijk hadden het drie lessen moeten zijn, maar voor een van die drie lessen meldde ze zich af). De docente wees haar er met nadruk op dat ze beter naast dit stuk ook nog een oud stuk kon doen, maar dit kwam er niet van. De leerling zei weinig tijdens de lessen.
De leerling speelt het stuk, niet erg vloeiend, door, en wordt af en toe onderbroken om fouten te verbeteren, technieken te behandelen en te vertellen wat wél goed was.
Het verbeteren van fouten en behandelen van nieuwe technieken gebeurt soms door mondelingen aanwijzingen, waarbij de leerling het op haar gitaar probeert uit te voeren, soms door voorspelen (fragmenten van enkele seconden) en soms door samenspelen van de betreffende fragmenten, waarbij de docente het nadrukkelijk op de goede manier speelt.
Bij sommige technieken geeft de docente een studeermethode, die ze in de loop van de les enkele malen zelf demonstreert. Bij andere technieken wordt verwezen naar vorige stukken, en weer andere technieken worden in het vooruitzicht gesteld voor een volgende les en nog niet echt behandeld.
Er wordt ook ingegaan op dynamiek, tempo, frasering e.d., en de docente benadrukt welke speciale mogelijkheden de gitaar in dit verband heeft t.o.v. andere instrumenten. Door de moeilijkheid van het stuk kan de leerling deze zaken nog niet goed in praktijk brengen.
Het huiswerk wordt mondeling opgegeven. In de eerste les wordt de helft van het stuk behandeld, in de tweede les het hele stuk.
± 17 jaar, mannelijk, heeft 1½ jaar electrisch gitaarles.
MTS-student. Is electrisch gitaar gaan spelen omdat dat instrument hem aanstaat. Zegt weinig tijdens de les, introvert type, heb de indruk dat hij thuis goed studeert. Speelt nog wat aarzelend, maar gaat duidelijk vooruit.
Les 1:
Les 2:
Les 3:
Het nieuwe ritme (triool) wordt niet voorgespeeld door de docente, maar mondeling uitgelegd, waarna de leerling het probeert te spelen. Dit duurt tamelijk lang, maar lukt uiteindelijk. Dan wordt het ritme toegepast in een bluesimprovisatie met begeleiding van de docente en een ritmebox. Er wordt geïmproviseerd met de bluesladder, die de leerling al kent (pentatonische prime-kwint-ladder met toegevoegde tritonus), op een bluesschema.
Dit gaat goed, de leerling voelt zich nu vrijer op zijn instrument dan daarvoor, en de les verloopt vanaf hier was soepeler. De docente vertelt later dat dit ook een van de redenen is om dit te doen (improviseren).
In les drie wordt ingegaan op de opbouw van een improvisatie (frasering e.d.). Dit wordt in praktijk gebracht door samen een blues te spelen, waarbij de leerling opdracht krijgt om frases van 2 maten te improviseren en deze met korte pauzes (rusten) los van elkaar te zetten. Dit om eindeloos doorspelen te voorkomen.
Daarna wordt een nieuw stuk bekeken. Hierin zit een ritmische moeilijkheid (triool bestaande uit een kwartnoot en een achtste noot). De docente geeft hiervoor een ezelsbruggetje: lang-kort.
Mannelijk, ± 20 jaar, heeft volledige baan, speelt in een bluesband (electrische gitaar), heeft in het verleden al enkele jaren klassiek gitaarles gehad bij deze docente en is daar sinds kort opnieuw mee begonnen. Had plannen om naar het conservatorium te gaan (klassiek gitaar), maar dit gaat waarschijnlijk niet door vanwege een probleem met zijn linkerhandtechniek.
Hij is tamelijk gevorderd en speelt muzikaal, maar is echter nu met een te moeilijk stuk bezig (uit eigen verkiezing), waar hij dan ook na 2 weken mee stopt.
Hij maakt een wat vermoeide indruk, waarschijnlijk doordat hij overdag werkt. Zijn verstandhouding met de docente is goed, hij spreekt vrijuit tijdens de les.
Les 1:
Les 2:
Les 3:
Bij les 1:
Hij speelt het stuk nog niet erg vloeiend, maar is er duidelijk zelfstandig mee bezig geweest (vingerzettingen, tempoverloop e.d.). Is niet verder gekomen dan de helft (het stuk telt 2 blz.) Hij bespreekt vingerzettingen en studeermethoden met de docente, die met potlood in de partituur schrijft terwijl hij deze uitprobeert op zijn gitaar.
Bij les 2:
Hij speelt het stuk nu vloeiender, maar is nog steeds niet verder gekomen dan de helft. De docente analyseert het toonsoortenverloop van het stuk (mondeling). Laat hem dan de 2e helft v.h. stuk doorspelen (gaat moeizaam) en bespreekt met hem de vingerzettingen en studeermethoden, die ze in de partituur bijschrijft terwijl hij ze uitprobeert.
Bij les 3:
De leerling zegt met het stuk gestopt te zijn omdat hij het te moeilijk vond. De docente stelt dit niet op prijs. Ze praten hier uitvoerig over en spreken af dat hij later het stuk weer op zal pakken.
Hij heeft een nieuw stuk gekozen (een etude) maar heeft dit nog niet erg goed bestudeerd. De docente zegt dat hij beter een oud stuk had kunnen herhalen om de geleerde technieken eens op een muzikale manier toe te kunnen passen.
De groep bestaat uit 5 meisjes en 1 jongen. Leeftijd: 6-9 jaar. De docente zegt groepsles te geven omdat het moet (van 6-9 jaar, daarna kleinere groepen en individuele lessen). Ze geeft liever individueel les of les aan kleine groepjes (2 leerlingen) omdat dan meer individuele aandacht mogelijk is, waardoor de resultaten beter zijn.
Ook vindt ze het niet goed dat aan kinderen vaak aangeraden wordt met blokfluit te beginnen en daarna eventueel een ander instrument te kiezen; wat haar betreft mogen al die kinderen best eens met andere instrumenten beginnen, zodat zij meer leerlingen krijgt die bewust voor blokfluit gekozen hebben. Ze gebruikt in de groepslessen ander materiaal dan in de individuele lessen.
De kinderen maken een ijverige indruk en lijken het leuk te vinden. De meesten hebben familieleden die ook een instrument, vaak blokfluit, bespelen. In de lessen wordt zowel samengespeeld als alleen, en ook speelt de docente soms mee. Bij het alleen spelen doen de anderen soms zonder geluid mee, zodat de docente kan zien of ze het ritme goed spelen. Af en toe speelt ze voor uit het lesprogramma.
Tijdsduurverhoudingen:
| samenspelen | **************** |
| aleen | ************ |
| samen met docente | ***** |
| alleen + anderen zonder geluid | ******** |
| voorspelen door docente | **** |
Dingen die aan de hele groep uitgelegd werden: frasering, ademhaling, gelijkspelen, theorie.
Dingen die individueel uitgelegd werden: foute noten, fout ritme, maatsoort.
Techniek, theorie en het omgaan met dynamiek, tempo e.d. komen gelijkelijk aan bod. Het huiswerk wordt in de schriften van de leerlingen geschreven.
Les 1:
Les 2:
Er zijn verschillen in niveau merkbaar. De jongen b.v. heeft veel moeite met het ritme. Af en toe laat de docente hem daarom alleen spelen of het ritme klappen tot hij het goed doet. Deze individuele beurten duren ± 1 minuut. Hij blijft er moeite mee hebben. Ik denk dat meer tijd nodig is om dit soort problemen op te lossen (zie gitaarles leerling 2), maar in een groepsles is die er niet.
Fouten worden verbeterd door er mondeling op te wijzen en de leerling het te laten overdoen. De docente schrijft soms aanwijzingen in de partituren van de leerlingen, die ze eventueel later mogen uitgummen.
Theorie (mollen en kruisen, maatsoorten e.d.) wordt behandeld door vragen te stellen aan de leerlingen over het stuk waar ze mee bezig zijn. Vaak wordt ook herinnerd aan vroeger gespeelde stukken.
Dit lukt heel aardig en ze vinden het leuk. De docente vertelt later dat ze dit iedere les probeert te doen.
Aan het begin van de lessen zetten de leerlingen de lessenaars en spelen ze enkele minuten in. De les duurt 45 minuten.
De les duurt 45 minuten. De groep bestaat uit 15 leerlingen van ± 7 jaar (evenveel jongens als meisjes).
De docent zegt dat het doel is jonge kinderen voor te bereiden op instrumentaal of zangonderwijs. Het resultaat schijnt goed te zijn; hij ontmoet soms ex-leerlingen, ondertussen volwassen geworden, die doorgegaan zijn met muziek en zeggen het bij hem geleerd te hebben. Hij zegt verder dat kinderen die een instrument gaan bespelen zonder de basis van AMV te hebben er vaak na korte tijd mee ophouden, en dat het goed zou zijn als in instrumentale lessen wat meer aandacht aan AMV geschonken zou worden.
De kinderen letten goed op en de sfeer is goed. Er is er één bij die zich wat afwijkend gedraagt (voeten op tafel, praten en met vervormde stem zingen). De docent schenkt hier weinig aandacht aan en spreekt hem slechts terechtwijzend toe als het te erg wordt.
Sommige kinderen kijken af en toe naar ons (de twee hospiterende studenten).
De les omvat theorie, muziek maken en verhaaltjes om de aandacht vast te houden. De docent zegt vaak een les in elkaar te zetten rond een thema, omdat de kinderen dan langer geconcentreerd blijven.
Les 1:
Les 2:
Een aantal theoretische dingen (notenwaarde, maatsoort) wordt behandeld door een voorbeeld op het bord te schrijven en aan de klas te vragen wat het is. Zo ontstaat een ritme-oefening, die gezamenlijk uitgevoerd wordt, eerst door spreken (een, twee-en, enz.), dan door klappen.
Bij het liedje "Boerinnetje van buiten" wordt de tekst uitgelegd m.b.v. een verhaaltje. Daarna wordt het gezongen, waarbij de melodie op een piano voorgespeeld wordt. Dan klapt de docent het ritme, vraagt of ze dat leuk vinden (ze vinden het saai), en verdeelt het dan over de tafel en zijn knieën, zodat het gevarieerd gaat klinken.
De docent schrijft het ritme van Kortjakje op het bord en laat een leerling er één maat uitkiezen, die hij als ritmische begeleiding gebruikt. Hij speelt deze begeleiding op een soort handtrommel met één vel, terwijl de kinderen zingen. Vertelt dan de kinderen dat zij in volgende lessen ook op instrumenten zullen mogen spelen.
De docent klapt een ritme en laat een leerling er een antwoord op klappen. Sommigen hebben hier moeite mee, één herhaalt het ritme van de docent. Deze vergelijkt dit met het herhalen van een gestelde vraag ("Hoe was het op school?" - "Hoe was het op school?").
Het liedje "Met trommel en trompet" wordt gezongen nadat de docent de tekst (mondeling) gegeven heeft. Er wordt vals gezongen. De docent zegt echter dat het uitstekend was. Later vertelt hij ons dat om het vals zingen te verhelpen meerdere lessen per week nodig zouden zijn; nu, met één les per week, komt hij er niet aan toe.
De docent vertelt de klas het lied Vader Jacob te gaan zingen en één van de 3 elementen - ritme, melodie en tekst - te zullen veranderen (de leerlingen kennen deze woorden al).
Hij zingt het vervolgens in mineur, en vraagt de leerlingen wat er anders was. De antwoorden: mooier, lelijker, op één toon, droeviger. Ze wisten allemaal dat het element melodie veranderd was.
Docent laat leerlingen woorden bedenken i.v.m. de Efteling en maakt daar een nieuwe tekst van op de melodie van Vader Jacob.
Ritmespel: leerlingen bedenken weer woorden i.v.m. de Efteling. Deze worden op het bord geschreven met het bijbehorende ritme tot een zin ontstaan is. De klas wordt nu in groepjes verdeeld die ieder een woord aangewezen krijgen. Op een teken van de docent spreken ze dit woord uit (hij wijst steeds één groep aan). Dan krijgt iedere groep opdracht om ook het ritme nog te slaan op tafel of benen.
(25 minuten)
± 15 jaar, vrouwelijk, heeft 6 jaar les, waarvan 1 jaar groepsles (verplicht). Daarnaast 2 jaar blokfluitles en 2 jaar theorieles (verplicht). Praat weinig tijdens de les.
De docente is er niet gelukkig mee dat groepslessen verplicht zijn; ook vindt ze de groepen erg groot, terwijl er maar 2 piano's in het kleine leslokaal zijn. Ze zegt dat in uitzonderingsgevallen, met toestemming van de gemeente, wel eens is afgeweken van die verplichting.
De 2 lessen die ik met deze leerling gevolgd heb bestonden uit het door de leerling spelen van 3 bestudeerde stukken (van Bach, J. Field en een Russische componist), waarbij de docente har af en toe onderbrak om aanmerkingen te maken en fouten te verbeteren e.d. op de volgende manieren:
Techniek en omgaan met dynamiek, tempo e.d. kregen ongeveer evenveel aandacht. Af en toe werd een studeermethode aan de hand gedaan, die de leerling in de les uitprobeerde. Het huiswerk werd opgeschreven in het schrift van de leerling.
± 13 jaar, vrouwelijk. Praat wat meer tijdens de les. Speelt ook wat vrijer en harder dan leerling 1. Heb slechts 1 les met haar bijgewoond, daarna werd ze ziek.
Ze heeft ook 3 stukken in studie. De les verloopt ongeveer zoals die van leerling 1. Een paar dingen die opvallen:
Ze heeft moeite met een zeer syncopisch fragment van een maat in het stuk "The entertainer". De docente laat haar dit fragment zorgvuldig tellen en dan, eerst langzaam en daarna sneller, spelen. Bij een ander stuk raadt de docente aan om thuis niet bij het begin te beginnen met studeren, maar op de 2e bladzijde. Ik heb de indruk dat ze goed studeert.
± 12 jaar, mannelijk, volgt ook theorieles.
Er wordt één stuk behandeld in de les. De docente ziet in zijn schrift dat hij nóg een stuk op had gekregen. Het blijkt dat hij dit door een misverstand niet gedaan heeft. De docente spreekt met hem over de theorieles en over school.
(geleid door slagwerkdocent)
De repetities die ik met dit ensemble zou volgen gingen niet door wegens problemen met het bij elkaar houden van de leden ervan. De overgebleven muzikanten bespraken met de docent de toestand. Er werd een nieuwe repetitietijd afgesproken, het toekomstig repertoire werd besproken en er werden fotokopieën van gemaakt, er er werd afgesproken naar nieuwe muzikanten te zoeken.
(25 minuten)
De sfeer in deze lessen is vrijer en ongedwongener dan in de meeste andere lessen. Dit heeft misschien te maken met de muzieksoort (veel popmuziekachtige ritmes), en de leeftijd (± 17-10 jaar). In het algemeen is mij namelijk opgevallen dat bij leerlingen van ± 12-16 jaar de communicatie stroever verloopt dan bij jongere kinderen en (bijna-) volwassenen. Dit zal wel puberteit heten te zijn, maar volgens mij heeft het in werkelijkheid meer te maken met de wrede dictatuur die op middelbare scholen heerst.
De docent vertelt dat er 2 soorten slagwerkleerlingen zijn: die uit de Hafa-wereld en privéleerlingen.
Hafa-leerlingen moeten een door hun vereniging voorgeschreven veelheid aan technieken en repertoire leren; dit bestaat voor een groot gedeelte uit muziek voor kleine trom.
Privéleerlingen willen meestal leren drummen (popmuziek e.d.).
De docent zegt dat hij probeert om beide groepen leerlingen op den duur ook op de andere slagwerkinstrumenten te laten spelen (marimba e.d.). Hij vindt dat er over het algemeen te weinig geïmproviseerd wordt en probeert dit te veranderen; hiervoor is echter bij Hafa-leerlingen weinig ruimte door het voorgeschreven repertoire.
Mannelijk, ± 16 jaar, drumles.
Verloop v.d. les:
± 17 jaar, mannelijk, drumles.
Een thuis bestudeerd ritme wordt behandeld zoals bij leerling 1, met dit verschil dat deze leerling ook nog opdracht krijgt het uit zijn hoofd te spelen.
± 16 jaar, mannelijk, kleine trom (leerling uit de Hafa-wereld).
De leerling zegt weinig geoefend te hebben doordat hij het druk had met zijn studie (LTS). De docent laat hem zelf kiezen welk stuk in de les behandeld wordt. Dit wordt een duet voor kleine trom. Ze spelen dit samen door, het gaat goed. Daarna in fragmenten, waarbij de docent aanwijzingen geeft en de leerling soms alleen speelt. Veel aandacht wordt geschonken aan dynamiek, vooral aan het p en pp spelen. Dit schijnt moeilijk te zijn.
Ongeveer om de 2 jaar doen de leerlingen een toets. Indien gewenst kan dit een examen zijn, waarbij een diploma uitgereikt wordt. Er zijn 4 niveau's, het hoogste is na 8 jaar bereikt. Dit is tevens de maximale inschrijfduur op de muziekschool, die in uitzonderingsgevallen wel eens verlengd wordt. Er zijn afzonderlijke theorietoetsen. 2 × per jaar wordt een schriftelijke beoordeling gegeven.
NB: dit vond plaats vóór het bijwonen van de lessen.
In een inleidend gesprek spraken we over onze hoofdvakken, hoofdvakdocenten en activiteiten op muziekgebied. Hierop kwamen we in de loop van het daaropvolgende interview enkele malen terug, waarbij, voorzover het mij aanging, o.a. de moeilijkheid van het à vu gitaarspelen en het gebruik van computers bij componeren en arrangeren ter sprake kwamen.
In het interview werd een groot aantal vragen gesteld door X., die een vragenlijst gemaakt had, en een kleinger aantal vragen door mij, vragen die ik voor een deel vooraf bedacht had, en voor een ander deel in mij opkwamen tijdens het gesprek.
Ik vermeld hier alleen de informatie die Y. ons gaf naar aanleiding van onze vragen, niet de vragen zelf. Overigens kregen wij beiden een programmaboekje van de muziekschool. De informatie die daarin staat, vermeld ik natuurlijk ook niet letterlijk in dit verslag.
Aan het einde van de bijeenkomst spraken we af schriftelijk te laten weten welke lessen we wilden volgen en wanneer we tijd hadden, zodat Y. een rooster zou kunnen maken.
(Zie ook de rest van het verslag)
De subsidiëring verschilt per gemeente. Een voorbeeld:
De gemeente B. (één van de 4 gemeenten binnen het gebied van deze muziekschool) subsidieert 1000 klokuren les per jaar, waarbij de voorkeur uitgaat naar leerlingen onder de 18. Wanneer er minder leerlingen onder de 18 zijn dan overeenkomt met 1000 uren, kan de rest gebruikt worden voor volwassenen. Wanneer de 1000 uren op zijn en iemand uit B. toch les zou willen hebben, zou hij een hoger tarief moeten betalen. Ook leerlingen die niet in één van de vier gemeenten wonen betalen een hoger tarief.
(Zie ook de rest van het verslag)
Er zijn drie soorten aanstellingen:
2. en 3. worden jaarlijks vernieuwd, waarbij het aantal lesuren opnieuw vastgesteld wordt. Iemand met een vaste aanstelling heeft een bepaald aantal garantie-uren; dit zijn lesuren die hij toch uitbetaald krijgt, ook al valt zijn rooster een keer wat kleiner uit.
De docenten op deze muzieksschool weten van elkaar wat ze verdienen; de salarissen worden bepaald naar bevoegdheidsgraad, leeftijd en aantal lesuren, en deze informatie is te bezichtigen op een prikbord.
Terugkijkend zijn de volgende opmerkingen te maken:
Voor het leren bespelen van een instrument zijn individuele lessen vereist. Instrumentale groepslessen worden alleen om financiële redenen gegeven. Voor muziektheoretische vakken en algemene muzikale vorming zijn groepslessen wel zeer gechikt. En repetities van ensembles zijn per definitie in groepsverband. Ideaal is dus de combinatie van individuele instrumentlessen met theoretische en algemeen-muzikale groepslessen en ensemblerepetities. Het is geen toeval dat dit precies de gang van zaken op een conservatorium is.
Het niet doorgaan van de repetitie van het ensemble lichte muziek is kenmerkend voor de lossere mentaliteit onder jazz- en popmuzikanten. Afspraken maken op uur en minuut, een groep bij elkaar houden en andere organisatorische zaken zijn vaak een probleem, zoals ik zelf meer dan eens ervaren heb. Zeer treffend in dit verband is de Monty Python-sketch over jazzmuzikanten: eerst ziet men een leeg podium voor een zaal vol publiek. Dan, de volgende dag: de muzikanten voor een lege zaal, zich afvragend waar het publiek is. Volkomen accuraat, en wegens dit soort problemen ben ik op het conservatorium op zeker moment overgestapt van geïmproviseerde muziek naar de klassieke richting.
Welke status muziekonderwijs in de maatschappij zou moeten hebben is een vraag waar ik nog niet uit ben. Het ene uiterste is om goed muziekonderwijs op te nemen in het reguliere onderwijs; het andere uiterste is particuliere initiatieven en de vrije markt hun gang te laten gaan. Op dit moment vaart men een onbevredigende middenkoers: zeer basale muziekles in het reguliere onderwijs, particuliere muziekscholen die desondanks gesubsidieerd worden, en vrijgevestigde docenten die niet gesubsidieerd worden en zelfs omzetbelastingplichtig zijn, zodat hun tarieven zeer veel hoger dan die van de muziekscholen moeten zijn. Waarschijnlijk zijn beide uitersten beter dan het huidige systeem.