Liquidatie

© 1982 Paul Cooijmans

Voorwoord: in mijn tienerjaren, toen ik begon met schrijven, heb ik een aantal verhalen van surrealistische, fantastische, absurdistische aard bedacht. Dit is een representatief voorbeeld. Het is verfilmd in 1982, met mijzelf als scenarioschrijver, hoofdrolspeler en regisseur. Een fragment van de film is op mijn "YouTube" -kanaal te zien.

Het was vlak voor Kerstmis 1981. Sneeuw lag op de weilanden en de wegen waren blubber. Ik reed op mijn blauwe bromfiets naar een onbelangrijke vergadering over een verfilming van een mijner verhalen.

Ondanks de snelheid zag mijn regisseursoog een bankbiljet van vijfentwintig gulden, op een bruggetje dat naar een zandpad leidde. Ik stopte en bukte om het op te rapen. Tot mijn verrassing lag vijf meter verder, op het blubberige pad, nog een biljet van vijfentwintig. En nog een, en nog een. Kortom, een spoor van bankbiljetten. Ik volgde het.

Na ongeveer honderd meter liep het spoor van het paadje af het weiland in. Ik liet mijn brommer achter en ging te voet verder. Het land stond deels onder water dat bevroren was. Het spoor liep over de ijsvlakte. Ik zette mijn helm af en begon mijn zakken te vullen. Tegen die tijd had ik zo'n half duizend gulden gevonden. Na enkele stappen op het ijs schoof ik uit. Mijn hoofd sloeg op het ijs en ik kreunde en was bewusteloos.

Toen zag ik een bloedrode schijf die langzaam ronddraaide. De schijf maakte plaats voor het gezicht van een man van middelbare leeftijd met een zonnebril. Dan kwam de rode schijf terug en verloor ik opnieuw het bewustzijn.

Opeens stond die man weer voor me. Hij had zijn bril afgezet. Ik zat op een stoel. "Aha, heb je besloten toch maar wakker te worden jochie? Het was beter voor je geweest om nog even onder zeil te blijven" galmde het door de badkamer waarin we ons bevonden. Ik voelde me een beetje vreemd.

"Wie bent u? Waar ben ik?"

"Hhgwaghaghaghaghhaah!" was het antwoord. "Nee hoor, klein grapje mijnerzijds. Mijn naam is Fred M.M. Maanzaad en ik werk voor de Nederlandse afdeling van de IBLK."

Ik kreeg argwaan. De IBLK.... was men soms bezig mij een betrekking bij een computerbedrijf op te dringen? "Eh... wat is die IBLK?"

"De IBLK, mijn beste vriend, is de Internationale Bond voor Liquidatie van Kapitalisten. Wij zijn een onderafdeling van de KGB, je weet wel, die bende van Andropov, hgwagaghaa..."

Mijn bezorgdheid groeide. De man veranderde toonhoogte en volume van zijn stem en bulderde: "Alle kapitalisten moeten geliquideerd worden. Zo luidt de opdracht. En jij bent een kapitalist..."

"Maar..." Ik trachtte hem te onderbreken maar hij gaf me een klap in het gezicht. En nog een. Ik wilde terugslaan maar voelde dat ik aan handen en voeten gebonden was.

"Ik heb gezien hoe je dat geld van de grond opraapte. Je bent een smerige kapitalist; alleen kapitalisten zijn zo tuk op geld. Je bent in de val gelopen en wordt op staande voet geliquideerd."

"Hoe?" vroeg ik, aan de touwen rukkend.

Hij gaf me weer een paar klappen in mijn gezicht. Toen pakte hij een fles afwasmiddel van de rand van het bad, schroefde de dop los, en nam een flinke slok. "Zie je dit bad? De inhoud van dit bad ztaat bekend onder de naam geconcentreerd zwavelzuur."

Hij hikte en er kwamen belletjes uit zijn mond. "Znap je?"

"Zwavelzuur" bracht ik uit.

"Ja. Achtennegentigprocentig zwavelzuur. En wij van ons team van de IBLK gebruiken deze vloeistof voor het oplossen, oftewel liquideren, van kapitalisten. En jou sodemieter ik er nu ook in."

Ik was sprakeloos.

De eerste seconden leek het of ik in water lag, maar toen begon een jeuk die snel erger werd. Voor ik de kans kreeg gek te worden van de jeuk kwam de pijn. Heet en bijtend. Steeds dacht ik: nu kan het niet meer erger, dit is de hevigste pijn die men kan lijden. Maar telkens bleek het toch erger te kunnen. Pijnscheuten folterden mijn lichaam. De huid loste op. Ogen en oren werden uitgebeten, de neus liep vol. Mijn longen liepen vol. Nee, dit zou ik niemand toewensen, uitgezonderd dan [censuur], [censuur] en [censuur].

En net toen ik dacht "nu ga ik dood" was het over. Op onverklaarde wijze was het zwavelzuur verdwenen. Ik bevond me op een berg wilgetakken temidden van een wijde grasvlakte. Natuurlijk was ik verbaasd, maar ook blij dat ik niet dood was. Of was ik dat wel? Nee, te onwaarschijnlijk. Waar en wat was ik dan?

Gedachten speelden door mijn hoofd. Tenslotte concludeerde ik dat ik in een ongeloofwaardige omstandigheid verzeild was en het later moeilijk zou worden anderen te overtuigen dat dit gebeurd was.

Plotseling vloog iets op me af. Ik ving het in een reflex; het was een roodrubberen balletje. Normaal zou ik me verwonderd hebben, maar in deze situatie was het bijna logisch dat zoiets voorviel dus ik gooide het balletje achteloos over mijn schouder en stapte van de berg wilgetakken af. Na een wandeling kwam ik bij een tuintafeltje waaraan twee mannen zaten te kaarten. "Hoi" zei ik.

Men keek op van het spel. "Ha, hallo, kom erbij zitten, speel je een spelletje mee? We zijn aan het pokeren, kom er toch bij zitten jongen."

Ik pakte een stoel en ging zitten. Men gaf mij vijf kaarten. Een vrouw en vier azen. Er werd niet aan bieden of inzetten gedaan. We ruilden alle drie een of meer kaarten. Ik ruilde uiteraard alleen de vrouw. Ik kreeg dezelfde schoppenvrouw terug. Dat zou mijn achterdocht gewekt moeten hebben maar deed het niet. De twee legden hun kaarten op tafel. De ene had vier tienen, de andere alleen maar bocht.

"Hier, wat een bocht" zei hij dan ook. Ik legde verheugd mijn vier azen neer: "Ik heb gewonnen denk ik".

Die met de vier tienen lachte schamper. "Haha. Hij heeft gewonnen denkt 'ie. Nee jongen, ik heb de jackpot, ik bedoel, ik heb poker, zie je, ik heb vijf tienen." Hij haalde een groot broodmes uit zijn jas. "Ik heb namelijk altijd de joker, zie je." Hij lachte nogmaals schamper.

De andere, dus die die alleen maar bocht had, stond op en greep mij vast. Hij pakte mijn linkerhand en legde die met de pink op het tuintafeltje. Ik probeerde me los te rukken, maar dat viel tegen.

Die met met de vier tienen hief het mes. Zijn blik was op de pink gericht.

Voor ik de kans kreeg tegenwerpingen te maken kliefde het mes door de lucht. Vreemd genoeg kwam het niet op mijn pink terecht maar in de nek van de figuur die alleen maar bocht had. Het moet scherp geweest zijn, want er klonk een vochtig kappend geluid en toen rolde het hoofd over de grond. Het stuiptrekkende lichaam kronkelde om mij heen. Met een krachtinspanning verloste ik me ervan. Uit zowel romp als hoofd kwam bloed, en de mond schreeuwde stil.

"Ziezo, het kan maar gebeurd zijn." De beul legde zijn mes neer en wreef zich in de handen. "Ja, je kunt het wel tot in het oneindige blijven uitstellen maar het moest er toch ooit van komen."

Hij ging zitten. "Zo, ik zal je nu even vertellen wat er precies aan de hand is en wat jouw functie in het geheel is." De man vertelde een raar verhaal dat erop neerkwam dat ik me verplaatst had in de vierde dimensie doordat ik in geconcentreerd zwavelzuur gelegen had. Dat scheen als katalysator te werken voor het reizen in die dimensie. Toen was ik terechtgekomen in een multidimensionale opslagplaats voor driedimensionale levensvormen die zich per ongeluk verplaatst hadden in de vierde dimensie. En waarvan hij de bewaker was.

Voorts zei hij veel last te hebben van aardse levensvormen als ik, die door een communist in het zwavelzuur gestopt beweerden te zijn. Om dat op te lossen had hij een plan: Ik zou terug gaan naar de coördinaten van de plek waar ik in het zwavelzuur gegooid was, maar dan een meter ernaast. Dan zou ik de heer Maanzaad in zijn eigen bad deponeren zodat ook hij in de opslagplaats terecht zou komen, waar de bewaker met hem kon afrekenen.

Ik stemde toe, belust op wraak. De bewaker zei me de ogen te sluiten en meteen bevond ik me weer in de badkamer van Fred M.M. Maanzaad. Fred zelf stond nauwelijks een meter van me af met zijn rug naar mij, in het gevulde bad te staren.

Ik schudde mijn hoofd om de slaperigheid eruit te krijgen en nam het dichtstbijzijnde stompe voorwerp: een lege vaas van stevig porselein.

Ineens kwam de toestand me absurd voor - zwavelzuur, afgehakte hoofden, vierde dimensie - het leek wel een droom. Ik had echter beloofd de communist in het bad te gooien dus ik zou het doen ook. Voorzichtig stond ik op van de stoel. Ik hief de vaas en sloeg hard op het hoofd. Fred M.M. Maanzaad kreunde en zakte ineen. Ik duwde hem het bad in en keek zolang de andere kant op.

Uiteindelijk kreeg ik twijfels over de zaak. Ik draaide me om en inderdaad, hij was er nog. Geen teken van aantasting door zwavelzuur. De zonnebril was naar de bodem van het bad gezakt. Ik stak mijn vinger in het zwavelzuur en proefde. Het was water.