Korte verhalen

© 1984-2009 Paul Cooijmans

Rapport van een genie - 1984-1994

Gedragingen

1 - De straf

Mijn fiets werd gestolen. Gelukkig meldde de dief zich bij de politie, zodat de rechter snel vonnis kon wijzen; één jaar gevangenisstraf en tienduizend gulden beloning. De belóning ging naar de díef, voor het rapporteren van een geval van aanleiding geven; mijn fiets had niet op slot gestaan.

2 - Woedend

"Word jij nooit eens woedend?", vroeg iemand me. "Je constateert de gruwelijkste onrechtvaardigheden zonder een spier te vertrekken. Doet het je dan niets?"

"O, jawel. Ik ben voortdurend woedend. Maar juist daarom is er niets aan mij te zien; ik hoef mijn gezicht niet in een woedende uitdrukking te brengen, aangezien het daar altijd in verkeert."

3 - De waan

Een man kwam naar mij toe en vroeg me hem in te wijden in de geheimen der hogere rekenkunde. Hij sprak op onverschillige toon, zoals mensen doen die zich superieur wanen. Bij wijze van examen stelde ik hem de vraag hoeveel twee plus twee is. "Wat!", reageerde hij, en nooit had ik iemand meer verontwaardigd zien kijken, "maar dat zijn cijfers! Ik ken alleen de letters nog maar!"

4 - Temidden van leugenaars

Ik leef temidden van leugenaars; als ik zeg: "De hond is niet mijn favoriete diersoort", gonst het: "Pas op voor die hondenhater! Hij maakt je hond af als hij de kans krijgt."

Als ik tegenwerp: "Zo bedoel ik het niet", roepen ze: "Eindelijk! Hij komt tot inzicht! Hij opent een asiel!"

Ik haat het, dat liegen, maar helaas; ik leef temidden van leugenaars.

5 - De aanslag

Eens leende ik een klein geldbedrag aan een vriend, onder de strikte voorwaarde dat hij het binnen een week zou terugbetalen. Na enkele maanden was dit echter nog steeds niet gebeurd, terwijl ik hem toch iedere week ontmoet had en hij mij bij elke ontmoeting verzekerd had de lening niet vergeten te zijn. Daarom ging ik naar hem toe en vroeg om het geld. Zijn ogen schoten vuur.

"Hoe durf je! Terwijl ik altijd zoveel voor je gedaan heb!" Woedend smeet hij het geld, dat hij klaarblijkelijk in zijn hand gereed gehouden had, in mijn richting. Ik raapte de twee kwartjes op. Ze voelden warm aan en er zat een vochtige, groene aanslag op, alsof ze al die maanden zijn hand niet verlaten hadden.

6 - Voor zijn beurt

In een park ontmoette ik een oudere man op een bank. "Jullie jongelui hebben het maar gemakkelijk tegenwoordig", zei hij. "Jullie hoeven je handje maar op te houden voor uitkering of studiebeurs, en werken homaar. Dat was in mijn tijd anders. Droog brood hadden we te vreten, en werken moesten we, met onze blote handen, tot we erbij neervielen. Niks gek dat het zo slecht gaat met de wereld."

Toen zweeg hij, en ik vertelde in korte trekken mijn levensverhaal. Hij stond op van zijn bank, beet, terwijl de tranen uit zijn ogen op de grond sprongen, zijn tong af, slikte die door, en verliet met gebogen hoofd het park.

7 - Varkens

Lopend over straat kwam ik een groepje varkens tegen. Schijnbaar zonder aanleiding sloten zij mij in en ramden mij tot ik omviel, waarna ze me beten en trapten tot een voorbijganger hen met harde hand tot rust bracht. De politie kwam langs en nam ons mee. Op het bureau vertelde ik alles en mocht toen gaan.

"Waar is de man die mij gered heeft? Ik wil hem bedanken", vroeg ik. "Dat zal niet gaan", antwoordde de agent. "Hij is in verzekerde bewaring gesteld en zal berecht worden wegens dierenmishandeling." "Maar die dieren waren bezig míj te mishandelen", merkte ik op. "Nou en? Dat kunnen we hun niet verwijten. Ze volgen slechts hun instinct en kennen geen besef van goed en kwaad. Bovendien hebben ze een ellendige jeugd gehad in de bio-industrie, zodat het niet verwonderlijk is dat ze af en toe iemand de strot afbijten. Ach, het zijn in de grond brave beesten waar geen spier kwaad in steekt. We hebben ze dan ook direct vrijgelaten."

Sprakeloos verliet ik het bureau. Twee straten verder stonden de varkens me op te wachten. "Waarom doen jullie dit?", vroeg ik terwijl ze me vertrapten en verscheurden. "Wat heb ik gedaan om dit te verdienen?"

Als antwoord kreeg ik slechts een knor; een knor die, zo dacht ik in mijn laatste, bloederige, momenten, wel erg veel leek op het woord "bestaan".

Tachtigers

8 - De overbriever

"Y. geeft een feest. Heb je zin er mee naartoe te gaan?", vroeg R. op een avond. Ik stemde toe en trok mijn jas aan. Juist toen we de deur uit wilden gaan echter hield hij me tegen. "Wacht... ik bedenk dat Y. het niet leuk zal vinden dat jij komt. Ze vindt jou niet zo aardig; sterker nog, ze vindt je vreemd en erg irritant."

"Waarom heeft ze me dan uitgenodigd?" "Dat heeft ze niet. Ze heeft mij uitgenodigd, maar het staat jou vrij met me mee te gaan."

"O. Als ze achter mijn rug vertelt dat ik vreemd en irritant ben heb ik weinig zin op haar feest te komen." "Dan weet ik voldoende."

R. opende de deur en vertrok, met kalme wanhoop nagekeken in de zekerheid dat mijn uitspraak diezelfde avond overgebriefd zou worden.

9 - Het compromis

Twee verschilden van mening over het antwoord op de vraag of twee plus twee vier dan wel vijf is. Dit laaide op en een breuk dreigde. Een ei kwam langs en zei: "Weet je wat, zeg dat het viereneenhalf is!" En huilend van opluchting vielen de twee in elkaars armen, terwijl de waarheid draaide in haar graf.

10 - Alsof

"Hoe word ik een goed acteur?"

"Door het acteren af te leren; alleen slechte acteurs acteren. Goeden zijn zichzelf."

"Waarom noemen we ze dan acteurs?"

"Omdat ze in zekere zin toch acteren; ze doen alsof ze acteurs zijn."

11 - De miljardair

"Soms schaam ik me dat ik als miljardair geboren ben", biechtte iemand op.

"Trek het je niet aan", troostte ik, "dat komt in de beste families voor."

12 - Bestwil

"Als iedereen was als ik was de wereld een paradijs."

"Inderdaad, voor jou."

"En dus voor iedereen."

Verdediging

13 - Inbeelding

Een hypochonder is iemand die zich inbeeldt dat hij aan ziektes lijdt, waar hij niet aan lijdt.

Maar wat is iemand die zich inbeeldt dat hij een hypochonder is?

Ik denk dat ik iemand ben die zich inbeeldt dat hij iemand is die zich inbeeldt dat hij een hypochonder is.

Maar ook dat is waarschijnlijk inbeelding.

14 - Compositieles

"Waarom wil je componeren?", vroeg mijn leraar me aan het begin van mijn eerste compositieles.

"Om de mensen te laten inzien dat het verwijtbaar is iemand, bewust of uit nalatigheid en anders dan uit blinde woede, verdediging of vergelding, pijn of andere ellende toe te brengen."

"Goed geantwoord", knikte mijn compositieleraar. "Dan luidt je eerste opdracht als volgt: koop een pistool, en gebruik het. Het knallen van de schoten en het kermen van je slachtoffers zullen de muziek zijn die je componeren wilt."

15 - Met een boog

Wat te doen als men pratend met een mens over straat loopt en deze zich achteloos excuseert om een voorbijganger dood te schoppen? Na een kleine vermaning het gesprek voortzetten alsof men nog met een mens te doen heeft? Of resoluut deze hond de grond in stampen? En indien het laatste, waarom dit niet met de grote honden gedaan?

16 - Verdediging

Als ik na bedreigd te zijn mijn jas aantrek, de deur uitga, de kortste weg naar de dreiger neem, aanbel, recht voor zijn neus ga staan tot hij een vinger naar me uitsteekt en al zijn botten breek, dat, en bij uitstek dat, is verdediging.

17 - Inbeelding

Een hypochonder is iemand die zich inbeeldt dat hij aan ziektes lijdt, waar hij niet aan lijdt.

Maar wat is iemand die zich inbeeldt dat hij een hypochonder is?

Ik denk dat ik iemand ben die zich inbeeldt dat hij iemand is die zich inbeeldt dat hij een hypochonder is.

Maar ook dat is waarschijnlijk inbeelding.

Drie korte geschiedenissen

18 - De rallyrijder

Een man werd gecontracteerd als rallyrijder en kreeg de beschikking over het best mogelijke materiaal: de snelste auto, de hoogst gekwalificeerde technici, etcetera etcetera. Er kon niets misgaan!

Op de dag van de wedstrijd echter stond de rallyrijder in wanhoop naast zijn voertuig, terwijl zijn concurrenten hun eerste kilometers achter zich lieten; de snelste auto ter wereld had geen deuren.

19 - Niet genoeg

Een crimineel werd voorgeleid. Zijn advocaat bepleitte vrijspraak vanwege de moeilijke jeugd van de man. "Met zo'n hoeveelheid ellende is het niet verwonderlijk als iemand zich gaat misdragen", besloot de jurist.

"Inderdaad", sprak de rechter, "en daarom veroordeel ik hem tot het opnieuw beleven van zijn jeugd, maar met ditmaal het dubbele van die hoeveelheid ellende."

20 - Desondanks

Een mens werd uitgestoten en moest zijn leven in eenzaamheid slijten. Desondanks stelde hij een manifest op waarin hij aangaf hoe de mensheid zich van zijn ellende kon verlossen. Dit kostte bijna de gehele rest van zijn leven. Toen sleepte hij zich met zijn laatste krachten naar een stad en schreef de tekst van het manifest op een muur. Daar werd het nog diezelfde dag door de gemeentereinigingsdienst verwijderd; voorzichtig, om de omringende graffiti en andere schuttingtaal niet te beschadigen.

Rapport van een genie

21 - Twee werelden

Een cultuur evolueert; vuur, wiel, waterstofbom - flits!

Een schitterend kosmisch vuurwerk.

Uit vele nieuwgevormde elementen ontstaan hogere levensvormen, die eenzelfde weg gaan.

Op een andere wereld houdt men het na het vuur voor gezien, doet geen stap meer dan nodig om het leven te behouden, en veronderstelt dat de ware ontwikkeling spiritueel moet zijn, dat na de dood het leven pas echt begint.

En zo verstrijken millennia zonder waarneembare ontwikkeling. Soms waagt iemand te constateren dat de spiritistische hypothese onbewijsbaar is, maar daar heeft men dan het vuur voor. Bewijs is immers logica, en logica in strijd met de spiritistische hypothese. Dat dit een cirkelredenering is maakt de zaak pas écht rond; de cirkel is immers het symbool van volmaaktheid!

Afgezien van de zinloosheid van beide geschiedenissen: waar zit nu de échte vonk in het kosmisch bewustzijn?

Het échte leven na de dood?

De échte eeuwige wederkeer?

Het spijt mij niet beter te kunnen berichten.

22 - De worgpaal

Men geeft lintjes aan mensen die zo- en zoveel jaren gewerkt hebben.

Beter zou men het aantal malen kunnen tellen dat iemand ondanks inherent ongemak de waarheid spreekt - waarbij "ongemak" eufemistisch is - en dat als criterium nemen.

Of nee, toch maar niet.

Die last zou mij staan, lopen en zitten onmogelijk maken, en liggend op de rug zou hij mij de ribben breken, de adem verstikken en het hart doorboren.

En dat terwijl, bij wie de waarheid liefheeft, de worgpaal des levens toch al dagelijks een slag wordt aangedraaid.

23 - De kunstenaar

Wanneer iemand onderhevig is aan de pijnlijkst mogelijke martelingen en toch niet toegeeft aan zijn kwelgeesten, toch blijft vasthouden aan de waarheid, dan kan hij op dat moment doen en zeggen wat hij wil. Straf kan niet meer volgen, hij ís immers reeds onderhevig aan de pijnlijkst mogelijke martelingen.

Zo'n gelukkige is de meest vrije mens die kan bestaan; men noemt hem kunstenaar, niet wetend dat hij dezelfde is als de beschrevene; en niet wetend dat men zelf de beul is.

24 - Zelfportret van een rekenmeester

Genieën bereiken uiteindelijk extreme ascese. Ieder woord is universeel, iedere noot een volmaakt begrijpen. Het oeuvre uit deze periode noemt men: ontoegankelijk.

Maar hoe het werk geheten van wie zijn leven begínt op dat peil? Is het een wonder als men zo'n gezegende niet begrijpt? En is het niet schrijnend dat die verdoemde reeds tijdens zijn leven, en wel op weerloos vroege leeftijd, het diepst van de hel wordt ingejaagd?

Het diepst...

Én het heetst.

25 - Ut!

Uren al lag ik op mijn rug.

Geboren in een lichaam, te zwak zich om te draaien. Waarom konden anderen zich wél verplaatsen?

"Ut! Ut!" Vervloekt spraakgebrek dat geen "ui" toeliet.

"Ut!"

Eindelijk verscheen zo'n gebenedijde.

Maar vanwaar die grimas?

En die verwrongen stem, die kromtaal...

"Aansteller!" schreeuwde ik.

Fout!

Onder de oksels opgetild; helse pijn.

Maar omdat die okselgreep mijn lachreflex opriep, dacht men juist een plezier te doen. En hopla, op en neer ging het!

Pijn, pijn, pijn.

En niemand zou zelfs maar de mogelijkheid van zo'n herinnering ooit erkennen.

Laat staan -

de feiten

[Einde "Rapport van een genie - 1984-1994"]

Korte verhalen 1995-2004

26 - De bel

Hardlopend zag ik een zwarte poes met een bel om de nek. "Luid jij voor mij de laatste ronde in?", vroeg ik haar.

Maar zij schudde nee, daarbij echter onbedoeld de bel tot rinkelen brengend.

Sindsdien voer ik een martelende eindsprint, hoewel van een finish zelfs het bestaan onzeker is, laat staan de locatie bekend. "Vertragen" en "opgeven" zijn geen woorden van hier en nu. Echter wel: miauw.

27 - Arrogantie

R. verving zijn bescheiden en van antieke luidsprekerboxen voorziene stereo-installatie door en modern exemplaar, en nodigde mij uit een paar van mijn platen bij hem te komen draaien. Toen de muziek begon te klinken maakte hij aanstalten de kamer te verlaten.

"Luister je niet?" vroeg ik hem. "Ik dacht dat je deze muziek wilde horen."

"Welnee. Die muziek van jou kan mij niets schelen, maar ik dacht dat jij hem wel eens door een goede installatie zou willen horen. Dus P., ga je gang!"

28 - De straf (2)

Mijn fiets werd gestolen. "Is je fiets weg? Pak een andere! Er staan er genoeg."

Ik weigerde.

"Durf je niet? Dan doe ik het wel. Zie je die racefiets? Voor vijftig is hij van jou, en dan vijl ik de postcode er nog uit ook."

Ik weigerde.

"Wat ben jij er voor een? Met zo'n attitude zul je het moeilijk krijgen in je leven, amice!" Ook de andere socio- en psychologen bij de stalling schudden hun hoofden over zoveel onaangepastheid. "Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar", begon een der -logen, en de anderen knikten hem bemoedigend toe, "wordt het geen tijd lijfstraffen in te voeren voor lieden die weigeren zich te conformeren aan de heersende onwaarachtigheid in de samenleving?"

Instemmend gegrom. "We moeten íets doen om de asocialen in toom te houden. Bah... zie toch eens die misselijkmakende eerlijkheid op dat smoel..."

En vastberaden zette de horde zich in beweging.

29 - De straf (3)

Een man stal een dure auto. Deze gaf hem aanzien; hij ging door voor een geslaagd mens.

De man werd gepakt en moest de auto afstaan. De rechter gaf hem echter geen straf; "Door het kwijtraken van de auto, de ontmaskering als dief en het daaraan gepaard gaande gezichtsverlies, is hij genoeg gestraft."

30 - Lugt!

De lugt van vurskaalde skéte kwamp me tégen in't kot van dun Erremiet van't Broek. "Vumiddig wint gebakke" zennie, wézent op't gaskomfóór. "Dès goet zat vur mèèn."

Buite borreldenut in't zomp.

"De gebroaje lugt van d'hòg hèrre in't dùrp kùmt me mun aars uit. Nèè, lòat min hier mar op mineigen in de Broekdampe zitte." Hèj kruchte. "Krèk gezont èèst nie, mar alles bètter as't gebloas van die bokshoesters, wà gèj?"

Kroakend in al zun knóke viet ie un pààn van't komfòòr. "Òver vèèf joar, Koeimenneke, òver vèèf joar, dan zin alle wéég van alleminium! Alleminium!" Zun knokkels gallemdun op dun bùjem van de pààn. "En wètte wòar de owtoes dan op réje?" Hèj sloeg un gurdèjun opzèèj, en ik zag nun aawe krèjge stòan, wòar ne moor opgeklonke zaat. "Op lugt, Koeimenneke! Op lugt! Gebakke lugt!" Hèj hinnikten as un vursléte pèrt.

"Op gebakke lugt! En vurskaalde skéte!"

31 - Aaptrein

Brug ingestort. Ik ging richting noodrem, maar na één stap braken zij mij de benen. Ik gebaarde wat moest gebeuren, maar zij braken mij de armen. Ik schreeuwde, maar zij begrepen niet en trachtten mij de tong uit te rukken. Ik trachtte hun taal te leren, maar die bleek te beperkt om probleem en oplossing te bevatten. En terwijl het ravijn naderde, dansten de apen in domheid.

Ik ontwaakte. Opgelucht; maar een droom. Toen ik mij kleedde en tot de dagelijkse patronen overging drong echter het besef door dat voor opluchting weinig reden was.

32 - Aaptrein (2)

Volgende nacht. "Doe mee, wees niet asociaal, pas je aan en leer met de andere apen omgaan!", maakte ik op uit primitieve kreten. Maar ik kon geen gevolg geven, daar de goedbedoelende dieren mij tezelfdertijd de gebroken ledematen heen en weer wrikten en uitgerukte tong voor ogen zwaaiden.

33 - 2222

Ik beken. In koelen bloede heb ik een mens doodgeslagen. Zijn voorkomen irriteerde mij zó, dat ik de beslissing nam hem te doden. Ik ben schuldig en verdien de zwaarst mogelijke straf voor deze bewust en opzettelijk gepleegde wandaad.

Ten tijde van voorval was verdachte bij wijze van wetenschappelijk experiment uitgerust met apparatuur die hersenactiviteit mat en beeld- en geluidopnamen maakte. Analyse van geregistreerde gegevens wees uit dat in dát deel van hersenschors, dat met gewelddadigheid geassocieerd wordt, enorm bereidheidpotentiaal werd opgebouwd, kort voor vermeende moord. Dit gebeurde echter al vóór verdachte slachtoffer had waargenomen, zodat geconcludeerd móet worden dat gewelddaad gedetermineerd werd door hersenprocessen, en beslissing van verdachte onderdeel van die processen was en dus vorm van schijnbare vrije wil. Verdachte is derhalve onschuldig, ik spreek hem dan ook vrij van strafvervolging. Wie volgt!

Ik ontken. In een opwelling heb ik een pistool, dat ik toevallig bij mij had, op een passant gericht. Daarbij raakte ik onbedoeld de trekker aan, die op scherp bleek te staan.

Ten tijde van voorval was verdachte bij wijze van wetenschappelijk experiment uitgerust met apparatuur die hersenactiviteit mat en beeld- en geluidopnamen maakte. Analyse van geregistreerde gegevens wees uit dat hij al weken bezig was zijn daad voor te bereiden: hij kocht pistool en munitie, las gebruiksaanwijzing, oefende zich in laden en richten, enzovoort. Toen moment daar was plaatste hij bewust en opzettelijk pistoolloop tegen hoofd van slachtoffer en haalde trekker over. Beslissing tot plegen van daad werd ruim tevoren genomen, voor daad vereiste handelingen werden doelbewust verricht, dus verdachte is schuldig aan moord met voorbedachte rade. Dat pistool bleek te ketsen en er geen lijk is verandert niets aan zijn schuld. Ik veroordeel hem tot maximale straf. Zoals slachtoffer leven slechts door technisch falen behield, zo zal ook verdachte slechts door toevallige stroomuitval van stoel gered worden. Zaak gesloten!

34 - Schifting

Er is gezegd: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Daarin ligt besloten de idee dat niemand die hoogste trede bezet.

Maar wat als er tussen het grauw een wél zonder zonde is, en toch niet werpt? Zou die rechtvaardige niet op een nog hogere ladder staan? Beslist! Maar... hoe hem te vinden tussen de zondaars, die eveneens niet werpen?

35 - Een stervende ziet God

Eindelijk! Een leven lang heb ik u geëerd, en uw goedheid boven het aardse gesteld.

Dank je! Maar... waarom? Heb je één bewijs van mijn bestaan gezien?

Natuurlijk niet! Daarom heet het "geloven".

Vind je het niet dom zonder bewijs iets aan te nemen, en dat waarvan het bestaan onzeker is invloed te laten hebben op dat wat waarneembaar en bewijsbaar is?

Dom? U bestaat toch?

Dat kon je niet weten! Een onbewijsbare veronderstelling heb je laten prevaleren boven het direct kenbare, waarheidtergend leed veroorzakend. Daarom zul je branden in de hel.

Als ík al ga branden, wat moet een ongelovige dan verduren?

Domoor! Oneindigmaal meer waardering dan voor jou heb ik voor de ongelovige, die zich bij het waarneembare en beredeneerbare houdt, en geen verzinsels hanteert om mensenleed te vergoelijken.

Verzinsels?

Begrijp je dan niets? Niet alleen kon je niet weten dat ik besta, ook besta ik niet eens! Ik ben een hallucinatie in je laatste levensmomenten.

Dus de ongelovigen hebben gelijk? Gaan zíj naar de hemel?

Evenmin als jij naar de hel gaat. Hemel en hel bestaan niet, ik ben een hallucinatie, weet je nog?

Maar ... wat is het verschil?

Dat zij sterven, wetend gelijk te hebben.

Kan ik er wat aan doen dat ik fout zat?

Niet meer. Je mist intelligentie voor de weg van het verstand.

Is het dan terecht mij te straffen?

Ik straf je niet. Er bestaat immers geen hel? Sterker nog, je hebt gemakkelijker en prettiger geleefd dan de ongelovigen, die door jouw soort verketterd worden! Zij zijn het, die gestraft worden, en wel tijdens hun leven, in plaats van denkbeeldig erna, zodat ze het nog voelen ook!

Stond die weg van het verstand ooit voor mij open?

Toen je geest ontstond was alles mogelijk. Je hebt echter als foetus en zuigeling, toen je latere plafond bepaald werd, alle wegen tot inzicht versmaad. In plaats van ketters te verbranden had je beter kunnen proberen ze alsnog in te slaan!

Dus de ongelovigen hebben het slechter gehad dan ik! Wat maakt het dan voor hen verkieslijk te zijn zoals ze zijn? Wat zijn hun inzichten?

Die kan men slechts zélf ontdekken, die kunnen niet door uitleg begrepen worden.

Kan ik ze nog ontdekken?

Je hebt daartoe levenslang de kans gehad, en het niet alleen nagelaten, maar zelfs anderen, die het wél probeerden, veroordeeld en gemarteld. Wees blij dat er geen hel is, je verdient hem dik, dubbel en dwars! En je kans tot inzicht te komen is verkeken, want je leven eindigt aanstonds.

Heeft u die inzichten?

Nee, ik ben een hallucinatie. Ik weet niet meer dan jijzelf, in je diepste wezen.

Maar... dan heb ik geweten dat ik fout zat. Dat maakt het verwijtbaar.

Correct. Trek het je niet aan, het leven gaat door. Niet voor jou weliswaar, maar...

Voor wie dán? De ongelovigen?

Nee, ook zij sterven. Maar hun inzichten overleven, dansend van brein naar brein, de waarheid naderend. En op dat proces...

Zijn mensen als ik slechts parasieten?

.....

36 - Een vreemdeling in het museum

"Incredible! Obviously the work of a genius! Maar... wat doet hij nú?"

De gids, triest hoofdschuddend: "Hij is niet meer. Bezweken onder de permanente martelingen zijner omgeving."

Op zijn knieën valt de gast. Handen voor het gelaat.

"Trek het u niet aan. Eén tegen elfduizend miljard, zeggen statistici en testpsychologen, is de kans op zo'n genie; enkele millennia hooguit, en een nieuwe Paul Qoymans is."

Kruipend huilt de bezoeker richting uitgang.

"De betrokkenen zijn gestraft", troost de gids, met een stem die weet geen hout te snijden. "Een werkstraf... van zestien... uur..... in de dokter Vogeltuinen..."

Maar nooit raken de vreemdelings zolen meer grond. Levenslang kruipen is zijn boete voor de schande. En hoeden doet hij zich het woord "mens" nog te gebruiken. "Met Paul Qoymans is de mens gestorven", zegt hij. "Slechts mennen zijn wij nog. En mén..... is geen mens meer."

Korte verhalen 2005-2009

37 - Duizend

Aan Confucius – K'ung-Fu-Tzu, zo men wil - wordt de uitspraak "Het is beter één mijl te reizen dan duizend boeken te lezen" toegeschreven.

Vanzelfsprekend moet dit zijn "Het is beter één boek te lezen dan duizend mijl te reizen". We hebben hier te maken met hetzij een onvergeeflijk domme vertaalfout, hetzij een zwak moment van de meester.

De verklaring voor deze blunder moet liggen in de herkomst van het woord "mijl"; dat is traditioneel de afstand afgelegd door duizend dubbele stappen van een marcherende soldaat. De verleiding dit te laten kaatsen met duizend boeken moet immens geweest zijn, gezien de enormiteit.

Gelukkig is de werkelijkheid minder poëtisch.

38 - Ik weet het niet

Ik ben een volkomen eerlijk mens; als ik iets niet weet zeg ik dat, en als ik zeg "dat weet ik niet" betekent dat niet meer dan dat ik "dat" niet weet.

Maar zelfs dat is mij niet gegund.

Iemand stelt een vraag; ik zeg "dat weet ik niet".

"Dus u wilt er niet over praten. Dat mag u ook gewoon zeggen hoor. Ik ken dat, ik zeg ook vaak dat ik iets niet weet als ik er niet over wil praten. Dat is met u dus net zo. Zo zien we maar weer dat het met die eerlijkheid van u nogal meevalt."

En het meest verbijsterend is nog dat er geen donderstraal uit de hemel neerdaalt om zo'n slecht mens in gruwelijke stuiptrekkingen te doen overlijden. Integendeel; zo'n geperverteerde blijkt moeiteloos te functioneren in de samenleving.

Ik ben een volkomen eerlijk mens; als ik iets niet weet zeg ik dat, en als ik zeg "dat weet ik niet" betekent dat niet meer dan dat ik "dat" niet weet.

Maar zelfs dat is mij niet gegund.

39 - De aangever

Humoristen treden vaak getweeën op. Er ontstaat dan een rolverdeling; één wil grappig zijn, met stemmetjes, bekken, maniertjes, imitaties, schuttingtaal en erger. De ander daarentegen heeft echt talent en diepgang; hij IS grappig.

Vreemd genoeg noemen kenners alleen de eerste "komiek". De tweede, daarop kijkt men neer. Die, zo zegt men, is slechts de aangever.

40 - Schrijven

In de vijfentwintig jaar dat ik schrijf met de bedoeling begrepen te worden heb ik dit geleerd:

Hoe beter, helderder, beknopter, begrijpelijker en duidelijker een tekst geformuleerd is, hoe kleiner het aantal mensen dat hem begrijpt.

Uiteindelijk is mij duidelijk geworden dat dit met eenduidigheid en de intelligentieverdeling te maken heeft:

Een vage, wollige, langdradige, slecht geschreven tekst kan op veel manieren geïnterpreteerd worden; zo'n tekst heeft geen eenduidigheid, en dus geen betekenis. Ieder projecteert er zijn eigen ideeën op, als bij een rorschachtest. Men heeft de illusie de tekst te begrijpen, zonder te beseffen dat elke lezer iets anders "begrijpt".

Bij een goede tekst is zo'n projectie niet mogelijk, en moet men door begrijpend lezen tot de enig mogelijke interpretatie komen; de tekst is eenduidig, en heeft dus betekenis. In tegenstelling tot projectie vereist begrijpend lezen intelligentie. En intelligentie wordt zeldzamer naarmate men verder van het gemiddelde verwijderd raakt. Vandaar:

Hoe beter, helderder, beknopter, begrijpelijker en duidelijker een tekst geformuleerd is, hoe kleiner het aantal mensen dat hem begrijpt.

Op de jaarlijkse klacht dat de troonrede zo "moeilijk" geschreven is dat "gewone mensen" haar niet begrijpen kan de reactie dan ook slechts zijn: als zij begrijpelijker geschreven was zouden nog minder haar begrijpen.

41 - Vergeten

Men spreekt van "vergeten" als iemand zich een eens geweten hoeveelheid informatie – feit, gebeurtenis - niet kan herinneren.

Men spreekt ook van "vergeten" als iemand onopzettelijk nalaat op een bepaald tijdstip een voorgenomen handeling – op een afspraak verschijnen, huiswaarts keren - te verrichten.

De twee betekenissen zijn zo verschillend dat het absurd is er hetzelfde woord voor te gebruiken. We hebben een nieuw woord nodig, dat in niets op "vergeten" lijkt.

En zo kent de taal talloze punten die herziening behoeven. Deze fouten ontstaan doordat taal zich ontwikkelt tussen mensen die in meerderheid niet logisch kunnen denken. Slechts de enkeling die dat kan neemt waar hoe voortdurend onheil voortkomt uit ingebakken onlogica; de rest volgt blind de dwaalsporen.

"Taal is geen wiskunde", zegt men wijsgerig. Laten we dat dan maar snel veranderen.

42 - Een plezier doen

Het begint ermee dat ze hun vingers aflikken. Een voor een, met smakkende geluiden.

Dan halen ze mayonaise of sambal uit de pot met een stuk bestek dat ze al in hun mond gehad hebben. O, maar ze hebben het wel eerst netjes schoongelikt hoor. Of dat de hond laten doen.

En als ze op het toilet zitten laten ze gezellig de deur open staan. Dan kun je blijven praten, nietwaar?

Ook likken ze hun mes af. Door het tot aan het handvat in hun mond te steken en er weer langzaam uit te trekken, je aankijkend alsof ze zeggen willen: bedenk voor mij eens iets nóg smerigers om te doen.

Nou, ik weet wel wat. We kunnen ze in hun bek schijten. Of nee, toch maar niet. Want daar doen we ze waarschijnlijk nog een plezier mee ook.

43 - Tijd

"Hier een heel klein beetje vertragen" zei de gitaarleraar. Ik deed het.

"Nee, je hebt niets gedaan. Nog eens. Een klein beetje vertragen nu." Weer deed ik het, met wat meer vertraging.

"Je doet nog steeds helemaal niets. Vertraag dan maar wat meer voor je gevoel". Ik vertraagde nu fors.

"Dat is veel te weinig, je doet amper iets. Laat mij het eens voor doen. Zo, een heel klein beetje vertragen". Hij vertraagde zeer sterk. Ik nam de gitaar over en deed het na.

"Ja, dat gaat al heel aardig, nu heb je eindelijk een heel klein beetje vertraagd."

Mijn conclusie was echter dat ik een zeer veel preciezer gevoel voor tijd en tempo had.

44 - Valsspelen

Als twee een spel spelen en een speelt vals, is op dat moment het spel afgelopen en heeft de niet-valsspeler gewonnen met het grootst mogelijke uitslagverschil; immers, lager dan een valsspeler kan men niet zinken, dus een groter verschil kan niet bestaan. Bij herhaling van het wangedrag mag de valsspeler niet meer meedoen.

Deze universele regel is onwrikbaar en vloeit voort uit rechtvaardigheidsgevoel en logica.

Toch zien we in daadwerkelijk spel en samenleving dat regels en wetten de valsspeler zoveel als mogelijk beschermen en hooguit voor de vorm licht straffen, terwijl de verantwoording voor het wangedrag bij voorkeur bij het slachtoffer - de niet-valsspeler, de rechtvaardige - gelegd wordt. Bij het formaliseren van rechtvaardigheid in regel en wet bestaat helaas deze neiging tot decadentie, degeneratie, perversie.

Onze grote opgave is het onderdrukken van deze neiging, het maken van echt rechtvaardige regels en wetten, het corrigeren van reeds gegeven foute oordelen en straffen. Jawel, ook de in het verleden te licht gestraften moeten alsnog krijgen wat hun toekomt, net als hun slachtoffers.

45 - Dom

In mijn late tienerjaren kende ik een jongen die zich zeer minachtend over vrouwen uitliet. "Vrouwen zijn dom" zei hij vaak, of "vrouwen hebben maar één recht en dat is het aanrecht", en nog veel erger. Hij was een echte seksist.

Zodra er een meisje in de buurt was echter veranderde dit abrupt. Dan ging het van kruip kruip slijm slijm, en wist hij niet hoe "gevoelig" en "begrijpend" hij zich moest voordoen. Hij was een echte huichelaar.

Woest en gewelddadig werd hij als iemand hem wees op deze discrepantie. Hoe durfde je hem zo voor schut te zetten! Je was je leven niet zeker. Hij was een echte sadist.

Het vreemde was dat hij zoveel succes had bij meisjes; ze vielen voor de gewelddadige seksistishe huichelaar. In dat opzicht, maar dan ook alleen in dat opzicht, had hij gelijk; in dat opzicht waren vrouwen dom.

46 - Het maaiveld

Tijdens de pyschologieles op het conservatorium voerde de leraar een experiment met ons uit. Het ging om "fluency". We moesten in dertig seconden zoveel mogelijk alternatieve gebruiksmogelijkheden van een bepaald alledaags voorwerp opschrijven. Toen de tijd om was vroeg hij: "Wie heeft er niets kunnen bedenken?". Gelukkig had iedereen wel iets.

"Wie heeft er één gebruiksmogelijkheid gevonden?" Meerdere vingers gingen de lucht in.

"En wie heeft er twee?" Dat waren er wat meer.

"Wie heeft er drie?" Enkele vingers.

"Iemand vier soms?" Er was warempel iemand met vier.

"Vijf?" Niemand.

"Zes?" Niemand.

"Zeven?" Niemand.

"Zie je wel, dat valt nog niet mee. Vier is heel goed hoor, heel creatief. Formidabel, dat tref ik maar zelden. Je kunt wel merken dat we op een conservatorium zijn. Jullie zijn duidelijk creatieve mensen."

Hij vroeg niet of er iemand was met meer dan zeven. Dat kwam niet in hem op. Zoveel kon toch niemand er bedacht hebben? Zo creatief kon toch niemand zijn? Zodoende kwam niemand te weten dat ik er negentien had. Zover mocht niemand boven het maaiveld uitsteken.

47 - Het optreden

Eens zou ik gaan optreden als gitarist tijdens de opening van een tentoonstelling. Ik had vooraf de te spelen werken doorgegeven; zij waren van diverse componisten waaronder ikzelf. In de aankondiging van het optreden in de krant echter werden al die componisten vermeld behalve ikzelf.

Kennelijk had men gedacht: iemand die gitaar speelt en ook nog zelf componeert? Dat moet een vergissing zijn, die naam moet weg. Zover mag niemand boven het maaiveld uitsteken.

Of misschien, nog erger, had men niet eens begrepen dat mijn naam in die rij functioneerde als componistnaam. Begrijpend lezen is niet iedereen gegeven, laat staan het inzicht dat men zonder die gave beter geen redacteur kan worden.

Hoe dan ook, er was weer eens - en op welk een ijzingwekkende wijze! - aangetoond wat resulteert als men minderbegaafden werk laat doen dat hun bevattingsvermogen te boven gaat.

48 - De traktatie

Eens zat ik met R. iets te drinken, ik meen in een stationsrestauratie. Kort voor de glazen leeg waren vroeg hij of ik zijn consumptie wilde betalen; hij had namelijk geen geld bij zich. Hij zou mij later terugbetalen. Ik ging akkoord en zei dat ik zou betalen voor ons beiden.

Dit was echter niet naar de zin; hij vroeg me met grote nadruk het geld nu al te geven, zodat hij zelf af kon rekenen. Dit was duidelijk een halszaak voor hem. Er kon geen sprake van zijn dat ik voor hem zou betalen. Ik ging akkoord en gaf hem het geld.

Weer was het niet goed; hij wilde wat extra geld, niet alleen de prijs van de consumptie. Hij zou het echt snel terugbetalen. Weer ging ik akkoord.

Zo gauw R. ook het extra geld had wenkte hij de serveerster en rekende met groot vertoon voor ons beiden af. Hij was opeens de man van de wereld die trakteerde. Dat het buitenkant was deerde hem niet; hij verkoos schijn boven wezen. Ja, hij was de grote man.

49 - De tafel vol bier

Na het optreden op de Bladelse zomerfeesten verloor ik onze zanger even uit het oog. Toen ik hem terug vond vroeg ik of het geen tijd werd het honorarium van zestig gulden op te gaan halen bij de organisatie.

"Dat heb ik al lang geregeld binkie. Ik heb de poen meteen na het spelen geïncasseerd."

"Zullen we het nu verdelen dan? Ieder vijftien gulden".

"Verdelen? Er valt niks te verdelen, het is op."

"Hoezo? Waar is het gebleven dan?"

"Hier op tafel binkie!" Hij wees op een lange tafel in de feesttent. De tafel stond vol bier. Eromheen zaten tientallen wildvreemde mensen te drinken. "Geld moet rollen binkie. Zoiets moet je breed zien."

En het ergste was dat we daar gratis te drinken hadden. Er stond een caravan speciaal voor optredende artiesten op het terrein, met meerdere koelkasten vol drank. Voor ons.

Later die nacht bleek ook nog dat we te voet naar huis moesten. De persoon die ons met de auto op zou halen kwam niet opdagen. Om vier uur 's morgens was ik thuis. Het was veertig kilometer.

Gelukkig hoefde niet iedereen te voet; achteraf hoorde ik dat R., die als publiek met ons mee gekomen was, naar de organisatie gegaan was en zich voorgedaan had als onze "manager". Van de dertig gulden extra die hij zo loskreeg had hij een taxi naar huis genomen. Nee, hij had mij niet gezien onderweg. Anders was hij zeker gestopt.

50 - Samen doen

"Zullen we samen doen met ons geld deze kermis? Als we het elke dag bij elkaar leggen hebben we twee keer zo veel!", vroeg Van de Borstel. Ik ging akkoord. Ik had nog nooit iets samen gedaan, dus het leek me een opwindende ervaring.

We keken wat we hadden. Ik had negen gulden vijftig en Van de Borstel vijftig cent. "Ja, zo gaat samen doen", zei hij. "De ene dag heb jij wat meer en de andere dag ik. Maar samen hebben we veel meer dan alleen!"

We gingen naar de kermis. Van de Borstel stelde voor de tien gulden meteen te besteden aan twaalf penningen voor de botsauto's. Dat was voordeliger dan er steeds een voor een gulden te kopen. Zo konden we er langer mee doen, zei hij. Dat vond ik ook. Van de Borstel nam de taak op zich en schafte de penningen aan. Het maakte niet uit wie dat deed, nietwaar? Zo gauw hij ze had floot hij op zijn vingers en wenkte een aantal andere jongens. Snel deelde hij de penningen uit. En, het moet gezegd, ik kreeg er ook een.

We gingen allemaal tegelijk in de botsauto's, en enkele minuten later waren de twaalf penningen op. Van de Borstel was plotseling verdwenen, en ik heb hem de rest van de kermis niet meer gezien.

51 - Hardlopen

Op de lagere school kon ik veruit het hardste lopen van de klas. Dat hield echter niet in dat ik altijd won tijdens de gymnastiekles.

Van de Borstel kon het niet velen dat ik harder kon lopen dan hij. Bij de start kwam hij altijd naast me staan. Hij duwde me met zijn elleboog terug. Tijdens het lopen hield hij me met duwen en trekken achter zich, zodat ik hem niet zou kunnen passeren en hij zou winnen. Als ik hem onverhoopt voorbijkwam en won, werd ik in de pauze of na schooltijd door Van de Borstel zo hard mogelijk in elkaar geschopt. Want hij was de snelste en de sterkste zei hij, en ik moest altijd achter hem blijven.

Zo leerde ik dat de besten niet altijd mogen winnen, en de winnaars niet altijd de besten zijn, en dat dit komt doordat de slechten hun gang mogen gaan. Ik heb daarvoor een oplossing bedacht; als we nu eens de slechten beletten hun misse daden te doen, zou het dan niet allemaal veel eerlijker gaan in de wereld? En waarom ben ik de enige die op dat idee komt?

52 - De stier

Tijdens een groepsgitaarles op het conservatorium vertelde de leraar over wreedheid jegens dieren in de middeleeuwen. Soms bond men een grote stier aan een boom om hem goed met zwepen te kunnen kastijden, aldus hij. Ik moest hard lachen.

"Als je die stier was piepte je wel anders!" zei een der studenten. "Dierenmishandeling is heel erg! Wat geeft jou het recht daar om te lachen?"

"Ik was die stier" zei ik.

53 - Net goed

Ten tijde van de moord op Pim Fortuyn was ik lid van een e-postforum voor mensen die de stoornis van Asperger of een andere autismespectrumstoornis hebben. Op dat forum was ook een vrouw die zich inbeeldde daar thuis te horen, maar beslist niet autistisch of Aspergoïde was en zich voortdurend deed gelden als een verschrikkelijk zeikwijf. Toen de identiteit van de wrede en laffe moordenaar bekend werd schreef ze: "O mijn god wat was ik blij toen ik hoorde dat de dader een blanke autochtone Nederlander was. Stel je voor dat het een allochtoon was geweest! Dan was het helemaal erg geworden met de vreemdelingenhaat in ons land!"

Ja, dan lopen echt de rillingen over je rug. Voor zulke diepgeperverteerde zemels was het nu eens net goed dat enkele jaren later de moordenaar van Theo van Gogh wél een Marokkaan was.

54 - De ziekte

"Dokter, wat is er toch mis met mij? Ik kan absoluut geen leugens of onrecht verdragen. Als ik iemand de waarheid geweld aan hoor doen of onrecht zie plegen, word ik woest en wil ik de arme drommel vernietigen, liefst met zoveel mogelijk pijn."

"Dat is inderdaad ernstig. Ik moet hiervoor het diagnostisch handboek raadplegen, want zo'n zwaar geval zie ik zelden in mijn praktijk. Hm... hier heb ik het. Wat u heeft is... grote goedheid!"

"Huh?! Is er iets aan de hand dokter?"

"Neenee. Dat is de naam van uw ziekte."

55 - Mmmmmmm!

Een der meest weerzinwekkende gebaren is ongetwijfeld het langs de zijkant van het hoofd in de voor-achter-dimensie heen en weer bewegen van de met de palm naar het oor gekeerde vlakke hand. Zo'n hand moet eigenlijk standrechtelijk worden geamputeerd. Dan leert men die streken wel af.

Maar dan krijg je dat gezeur over "wreedheid", "brute agressie" en zelfs "intolerantie". Alsof iemand intolerant zou zijn alleen omdat hij de meest stuitende "expressie" van "emotie" niet kan verdragen! Echter, hoe dan kunnen we ooit een eind maken aan dit door de zachte sector zo gepropageerde "uiten" van "gevoel"? Niemand doet iets. Sterker nog; wie niet meegaat in die vunzigheid is zogenaamd "gefrustreerd", "geremd" of zelfs "koud".

Nee, wees gerust. Er komt een tijd waarin we vrij zullen zijn van deze relicten uit een dierlijk verleden. De enkeling die dan per ongeluk terugvalt zal zich beschaamd excuseren voor zo'n nonverbaliteit of excessieve expressie, zoals men dat tegenwoordig wel doet na een luid reutelende oprisping of zeer vieze scheet.

56 - Bescheiden

"Jij bent veel te bescheiden" hoor ik voortdurend. "Met jouw talenten kun je immers alles bereiken wat je wilt! Je moet meer met de vuist op tafel slaan! Iemand van jouw intelligentie moet toch zeker een paar ton per jaar verdienen!"

Maar ze menen er niets van.

Als ik ook maar een duizendste van mijn capaciteiten onthul draaien ze om als een blad aan een boom. Dan stinkt het. Dan beginnen ze over eigendunk en arrogantie. Dan heb ik het hoog in de bol. Want nee, zo groot mag talent nu ook weer niet zijn. Het moet wel bescheiden blijven.

57 - De pijndrempel

Men zegt dat als mannen kinderen moesten baren de mensheid snel uitgestorven zou zijn. Mannen zijn immers veel kleinzeriger dan vrouwen, nietwaar?

Onderzoek heeft echter aangetoond dat mannen een beduidend hogere pijndrempel hebben dan vrouwen. Dus ook als mannen moesten baren zou het bevallen gewoon doorgang vinden. Er zou alleen wat minder drukte over gemaakt worden.

58 - Kastjes klei

Eens op de kleuterschool gaf de juffrouw ons de opdracht kastjes klei te tekenen. Hoewel ik nooit goed heb kunnen tekenen kreeg ik met moeite wat vierkante kastjes met hompen klei erin op papier.

Daarna werden de tekeningen van alle kinderen vergeleken; tot mijn verbijstering was ik als enige geslaagd in de opdracht. Alle anderen hadden per ongeluk een mens getekend. Een grote zwarte man. Met bokshandschoenen aan.

59 - De wedstrijd

Toen ik als kind op mijn pasgekregen sportfiets aan het rijden was ontmoette ik in een nabije straat een groep jongens waarvan een mij uitdaagde voor een wedstrijd. Naar het eind van de straat en terug. Ik ging akkoord, tot hilariteit van de anderen, want de rijder in kwestie - Schoen - had een echte renfiets en was lid van een wielerclub en dus een getraind sportman.

Niettemin had ik spoedig na de start een forse voorsprong; Schoen riep echter tegen zijn vrienden dat hij mij met opzet eerst liet gaan om me daarna met overmacht te kunnen inhalen. Ik reed hard door en passeerde een bocht in de straat, waardoor men het zicht op mij verloor. Enige hectometers verder eindigde de straat in een splitsing, en ik keerde.

Tot mijn verbijstering zag ik dat Schoen ook juist keerde; niet op de afgesproken plaats, maar net voorbij de bocht. Hij was slechts doorgereden tot het punt waar hij uit het zicht van de anderen was. Hij maakte een lange neus en reed terug, met honderden meters gestolen voorsprong. Natuurlijk was door dit bedrog de wedstrijd voor mij direct afgelopen en had ik gewonnen met het grootst mogelijke verschil - want dat is hoe men met valsspel moet omgaan - , en ik reed kalm terug om de jongens van deze lage streek te vertellen.

Schokkend genoeg werd ik niet geloofd; men zei woedend dat ik niet tegen mijn verlies kon, en ik werd uitgelachen en met lichamelijk geweld bejegend, zodat ik moest vluchten (wat lukte omdat ik wel degelijk de snelste was en niemand mij bij kon houden). Wederom was gebleken dat de besten niet altijd mogen winnen, en de winnaars niet altijd de besten zijn, en dat dit komt doordat de slechten hun gang mogen gaan.

60 - Gemiste kans

Soms lijkt het ineens de goede kant op te gaan. Zo hoorde ik onlangs het voorstel ontsnapte T.B.S.'ers middels een knieschot in de vlucht te stoppen. Dat begint erop te lijken, denk ik dan.

Maar helaas, ik had het misverstaan; het bleek te gaan om een knieSLOT. Een geval van jammer. Of, zoals men tegenwoordig zegt, een "gemiste kans".

61 - Het konijn

Eens in mijn kleuterschooltijd had ik een konijn, dat in een hok in de achtertuin woonde. Op een dag overleed het. De volgende ochtend kwam ik al lopend naar school een meisje uit mijn klas tegen.

"Mijn konijn is dood", zei ik.

"Daar geef ÍK niks om!", reageerde ze bot, en liep weg. Haar stem klonk hard, snijdend en minachtend, alsof ze verontwaardigd was dat ik haar met zo'n banaliteit lastig gevallen had.

Toen was ik geschokt door die harteloosheid, en de haat en agressie waarmee die uitgedrukt werd.

Jaren later bedacht ik hoe triest het was dat iemand al zo jong zo afgestompt, koud en hard was.

En uiteindelijk begreep ik dat haar houding en reactie normaal waren, representatief voor hoe mensen zijn. En dat het geacht wordt aan mij te liggen als ik daar niet tegen kan.

Blijft over de vraag: Hoeveel te goed ben ik dan wel niet voor deze wereld, als ik daar niet tegen kan?

Hoeveel te goed?

62 - Ridder op de witte bril

Eens bezocht ik een gezin dat in een oude boerderij op het Groningse platteland woonde. De verbouwing was een meerjarig project. Zo ontbraken bijvoorbeeld de deuren van de W.C.'s.

Dit viel vooral op in de keuken, die ook tot eetkamer diende. Want een der W.C.'s grensde aan die keuken, zodat men al zittend op de eettafel uitkeek. Dit werd echter niet als een bezwaar gezien. Integendeel, de vrouw des huizes wou het zo laten, want nu kon ze als haar man tijdens de warme maaltijd een fax uit Darmstad versturen moest gezellig blijven doorpraten met haar ridder op de witte bril.

63 - De Volkskrant

Eens trachtte ik met R. een kleinkunstduo op te zetten. R. was echter moeilijk tot daadwerkelijk repeteren of maken van nieuw werk te bewegen. Hij dacht alleen maar aan zaken als "promotie" en "onszelf verkopen", en wilde professioneel uitziend materiaal maken als een brochure en een band met demonstratie-opnamen. Want, zo zei hij, "Dan schieten ze niet in de lach als je uiteindelijk de gage noemt."

Een van zijn meesterplannen was in het vouwblad een lijst van mediacitaten over ons op te nemen. Zijn concept daarvan stond vol met zinnen als:

"De Volkskrant: P. en R. spelen de zaal volledig plat!"

In mijn naïviteit merkte ik op dat alle aanhalingen fictief waren, en we immers nog nooit opgetreden hadden met ons programma. Hoe dom van mij! Zuchtend over zoveel onbegrip legde R. uit dat ik er met zo'n mentaliteit nooit zou komen, en dat het geheel niet ter zake deed of de krantenkoppen echt waren. Het ging er slechts om de potentiële opdrachtgever te imponeren!

Toen ik voorzichtig vroeg of we geen problemen zouden krijgen door bestaande namen als "De Volkskrant" te gebruiken, lachte hij gehaaid en tikte tegen de zijkant van zijn neus: "Dacht je echt dat ik zo dom was! Nee P., we kunnen nooit last krijgen, want ik schrijf 'De Volkskrant' met een hoofdletter 'D'! Zelf noemen ze het 'de Volkskrant'! Ik gebruik dus geen geregistreerde merknaam. We spelen het zuiver!"

Ik dankte hem voor deze wijze les en vertrok. Van repeteren of optreden is het niet meer gekomen.

64 - De schildpad

R. vertelde mij eens over een schildpad die hij als huisdier gehad had. Op een keer had die zich teruggetrokken in zijn schild, en R. en zijn broer konden hem er niet toe bewegen zich weer te laten zien, wat ze ook probeerden. Om toch nog wat plezier aan het dier te beleven hadden ze toen wasbenzine in de schildopeningen gegoten en die in brand gestoken. "Toen kwam hij er wel uit! En die pootjes maar spartelen! En die bek maar open en dicht gaan! Dat was heel fijn!" R. werd duidelijk opgewonden bij de herinnering. Ik vroeg hoe het met de schildpad afgelopen was. "Oh, toen hij het even later niet meer deed hebben we hem in de prullenbak gegooid."

Het zou tientallen jaren duren voor ik de betekenis van deze gebeurtenis ging begrijpen; voor ik leerde dat het Hunnenbloed kruipt waar het niet gaan kan.

65 - Het braakwijnsteenzuur

M. deed net als ik thuis scheikundeproeven. Alleen nam hij het woord "proeven" erg letterlijk. Stoffen als geconcentreerd zwavelzuur en geconcentreerd salpeterzuur, die hij stal uit het scheikundelokaal op school of uit het ziekenhuis waar hij in het weekeinde werkte, proefde hij gewoon op zijn tong. Als je het maar snel genoeg verdunde met speeksel ging dat best, vond hij.

Ook liet hij zijn zusje proeven. Maar dan zonder dat ze het wist. Door stiekem braakwijnsteenzuur in haar eten te doen. Hij vertelde mij trots dat hij zich kostelijk vermaakt had toen ze tijdens de maaltijd plotseling hevig had moeten vomeren, en men zich geschrokken had afgevraagd hoe dat toch kwam. Nee, hij had niets gezegd, en haar vol medeleven troostend op de rug geklopt. Toen ik twijfel uitsprak over het ethische aspect van zijn experiment lachte hij minachtend: "Wat moet jij nog veel leren! Het is maar een vrouw! Vrouwen zijn minderwaardig, daar mag je alles mee uithalen."

Pas jaren later zou ik beseffen hoe diep ik in de geest van een echte psychopaat had kunnen kijken, en hoe moeilijk het voor een buitenstaander moest zijn om door dat gluiperige masker heen de ware aard van zo een sadist te zien.

66 - Een nul

"Dat kleine boxje daar in de hoek van de luidspreker is zeker voor de lage tonen?", vroeg R., wijzend op de hogetonenluidspreker die ik in een luidsprekerkabinet ingebouwd had.

"Nee, die is voor de hoge tonen. De grote luidspreker is voor de lage. En het zijn luidsprekers, geen boxen; De kast als geheel is wat men "box" noemt.

"Dat waag ik te betwijfelen, P.! Maar goed, jij je zin. En hoe sterk zijn ze? Kun je daar een cijfer aan geven? Twintig Volt? Dertig?"

"De belastbaarheid is veertig Watt. Niet 'Volt'. En dat is een getal, geen cijfer."

"Jij bent wel eigenwijs, dat moet ik je nageven! Nee P., de getallen zijn één tot en met tien! Daarboven spreken we van cijfers! Mijn heer, wat moet jij nog veel leren!"