"Hoogbegaafdheid"

© maart 1991 Paul Cooijmans

Opmerking vooraf (2006): Deze studie heb ik geschreven en ingeleverd ter afsluiting van het vak pedagogiek/psychologie, tijdens mijn opleiding aan het Brabants Conservatorium (1986-1993). Aan het eind volgt een substantieel naschrift uit 2006 met nieuwe bevindingen.

Inhoud

  1. Introductie
  2. Onderwerpkeuze
  3. Deskundigen
  4. Over het ontstaan van aanleg
    Over apen
  5. Over gitaarles
  6. Naschrift december 2006

1. Introductie

Een trein raast in de richting van een ravijn. Aan boord bevindt zich, naast een stel wilde apen, een mens, die weet dat de brug is ingestort. Wanneer hij echter één stap in de richting van de noodrem zet, worden hem de beide benen gebroken.

Wanneer hij met gebaren de apen tracht over te halen aan de handgreep te trekken, breken ze hem de armen.

Wanneer hij pratend en schreeuwend uitlegt wat er aan de hand is, begrijpen ze hem niet, omdat apen immers geen mensentaal kennen, en proberen ze hem zelfs de tong uit te rukken.

En wanneer hij zichzelf de apentaal leert, blijkt die te arm te zijn om er het probleem en de oplossing in te kunnen uitdrukken, zodat hij zich voor de taak geplaatst ziet de apen en hun taal op te voeden en te verrijken tot het peil waarop het mogelijk zal zijn uit te leggen dat, willen ze het er levend van afbrengen, de apen aan de noodrem zullen moeten trekken. En dit in de korte tijd die nog rest.

Deze situatie is vergelijkbaar met die waarin een klein aantal mensen, de zogenaamde hoogbegaafden, zich bevindt. Deze onderscheiden zich door zich al vanaf kort na hun geboorte sneller te ontwikkelen dan de meesten.

Helaas zijn opvoeding en onderwijs overwegend in handen van niet-hoogbegaafden, en ook afgestemd op niet-hoogbegaafden, zodat jonge hoogbegaafden, ongeacht of ze als zodanig herkend worden, niet altijd op een voor hen passende manier opgevoed en onderwezen worden.

Ook bestaat de vriendenkring van een jonge hoogbegaafde overwegend uit niet-hoogbegaafden, waardoor zijn sociale contacten vergaand anders kunnen verlopen dan wenselijk is voor de ontwikkeling van een mens.

Door deze onvolkomenheden in opvoeding, onderwijs en sociale contacten kunnen problemen ontstaan, zoals eenzaamheid, zich ongelukkig voelen, vertraging en blokkering van de ontwikkeling, scheefgroeien van de persoonlijkheid, psychische klachten en zelfmoord.

2. Onderwerpkeuze

Ik heb ervoor gekozen mij in dit onderwerp te verdiepen omdat het mij zelf aangaat. Veel verschijnselen rond hoogbegaafdheid die in de literatuur beschreven worden ondervind ik sinds kort na het begin van mijn leven aan den lijve. Door erover te lezen ben ik iets beter gaan begrijpen waardoor mijn leven gelopen is zoals het gelopen is.

3. Deskundigen

Hier volgt een overzicht van de algemene tendensen in het denken van deskundigen over verschillende aspecten van hoogbegaafdheid. Bij sommige aspecten ga ik in op wat afzonderlijke deskundigen in bepaalde artikelen geschreven hebben.

Literatuur:

a. Definiëring en model

Er is niet één algemeen aanvaarde definitie van hoogbegaafdheid, maar over het algemeen is men het er over eens dat er sprake is van een kennelijk aangeboren mogelijkheid om een zeer hoog ontwikkelingspeil te bereiken op een of meer van de volgende terreinen:

Het triadisch model van Mönks geeft hierin inzicht:

Het triadisch model van Mönks

uit: Hoogbegaafden: een situatieschets - F.J. Mönks

Hoogbegaafdheid ontstaat door het samengaan van de drie persoonlijkheidskenmerken "intellectuele capaciteiten", "creativiteit" en "volharding". Deze kenmerken worden tijdens hun ontwikkeling beïnvloed door de drie sociale hoekstenen "school", "peers" en "gezin". Wanneer deze invloed negatief is, staat dit het manifest worden van de hoogbegaafdheid in de weg.

Toelichting:

Met "peers" wordt bedoeld: ontwikkelingsgelijken, dus leeftijdgenoten met wie men op zijn eigen niveau kan communiceren. Creativiteit komt volgens Mönks tot uiting in flexibiliteit, vindingrijkheid, zelfstandigheid en weetgierigheid bij het benaderen en oplossen van problemen.

b. Spreiding van de intelligentie

Omdat van de drie persoonlijkheidskenmerken uit het triadisch model vooral de intelligentie redelijk door tests te bepalen is, kan alleen daarvan de verdeling goed in beeld gebracht worden:

Spreiding van de intelligentie

uit: Over algemene begaafdheid: begrip, manifestaties, verdeling - A.D. de Groot

Deze blijkt vloeiend te verlopen, in tegenstelling tot wat mensen geneigd zijn te denken, namelijk dat er een grote groep "normalen" bestaat, en daarnaast twee kleine groepen van zwak- en hoogbegaafden:

Foute voorstelling van de spreiding

Omdat intelligentie niet de enige component van begaafdheid is, kan in de I.Q.-verdeling slechts vaag aangegeven worden waar de hoogbegaafden zitten, namelijk rechts van de 130, terwijl lang niet allen in dat gebied hoogbegaafd zijn.

c. Herkomst

De meeste deskundigen nemen aan dat erfelijkheid een grote rol speelt bij het ontstaan van hoogbegaafdheid, en wel omdat de grote verschillen tussen mensen niet op een andere manier te verklaren zouden zijn.

A.D. de Groot geeft een aanlegmodel of plafondtheorie:

Een mens heeft op verschillende gebieden (intelligentie, schaken enzovoort) verschillende maximaal bereikbare niveau's (plafonds). Deze zijn aangeboren, en het hangt van de omstandigheden tijdens het leven af of en wanneer ze bereikt worden.

Hij zegt dat een mens zelf het beste weet wat zijn plafonds zijn, dat het mogelijk is om op latere leeftijd alsnog het plafond te benaderen, wanneer de ontwikkeling tijdens de jeugd niet optimaal verliep, en dat in onze maatschappij een zeer groot aantal mensen hun plafond ten naaste bij bereikt hebben.

Hij geeft niet voor al deze beweringen argumenten.

d. Problemen

Problemen kunnen ontstaan wanneer de sociale hoekstenen van het triadisch model de ontwikkeling van hoogbegaafden belemmeren:

Het onderwijs gaat te langzaam, sluit niet aan bij hun interesses, en de gebruikte methodieken zijn niet altijd geschikt (bijvoorbeeld: vaak herhalen).

Dit kan leiden tot verveling, luiheid, niet opletten omdat ze denken het toch al te weten, zelfoverschatting en een afkeer van ieder georganiseerd leerproces in gezelschap van anderen.

Door het constateren dat andere kinderen anders zijn kan eenzaamheid ontstaan, vooral wanneer deze anderen op een ongunstige manier reageren: niet begrijpen, niet accepteren, jaloers zijn, pesten.

Ook komt het voor dat hoogbegaafden zich aanpassen aan hun medeleerlingen door met opzet lage cijfers te halen; om geaccepteerd te worden en geen "uitslover" te zijn.

Deze problemen treden vooral op wanneer er geen contact is met andere hoogbegaafde kinderen, met wie men op zijn eigen niveau kan praten.

Hoogbegaafde kinderen uit milieus waar intellectuele prestaties niet tellen conformeren zich soms aan de waarden van hun familie door op te houden zich te ontwikkelen. Deze blokkering van de ontwikkeling is volgens A.D. de Groot het ernstigste probleem rond hoogbegaafdheid, hoewel het volgens hem weinig voorkomt. Hij zegt verder dat de kans op blokkering tegenwoordig groter is dan vroeger, omdat de leer- en ontwikkelingsmotivatie sterk is afgenomen. Hierdoor wordt op hoogbegaafden een grotere druk gelegd zich te conformeren.

e. Opvang in het onderwijs

Joan Freeman geeft een overzicht van verschillende manieren waarop het onderwijs aandacht aan hoogbegaafden schenkt:

f. Opsporing

(uit: Opsporing van hoogbegaafden - P. Span en A.J. Jansen Schoonhoven)

Alvorens opgevangen te kunnen worden moeten hoogbegaafden in het onderwijs als zodanig geïdentificeerd worden. Dit kan:

  1. Door ouders;
  2. Door docenten;
  3. Door medeleerlingen; uitgangspunt hierbij is dat hoogbegaafden vaak leiders van een groep zouden zijn;
  4. Door zichzelf; bijvoorbeeld bij aanmelding voor speciale programma's voor hoogbegaafden;
  5. Door tests, zoals I.Q.-tests en schoolvorderingstoetsen.

Voor 1, 2 en 3 bestaan checklists, die de effectiviteit van het identificeren verhogen. De grootste fout die gemaakt kan worden is het ten onrechte niet aanmerken als hoogbegaafd.

g. Emotionele aspecten

(uit: Emotionele aspecten van hoogbegaafdheid - Joan Freeman)

Er is geen direct verband tussen hoogbegaafdheid en emotionele instabiliteit. Hoofbegaafden blijken zelfs stabieler en sociaal actiever te zijn dan hun gemiddelde leeftijdgenoten.

Wanneer ze toch emotionele problemen hebben, hangen deze samen met de eerdergenoemde problemen, zoals blokkering, of ze worden veroorzaakt door te hoge verwachtingen van ouders en docenten na hun identificatie als hoogbegaafde. Dit laatste lijkt minder erg te zijn dat het eerste. Het is duidelijk dat mensen die zich naar aanleg ontwikkelen gelukkiger zijn dan zij die dit niet doen.

h. De muziek

(uit: Hoogbegaafdheid in de muziek - Leo Samama)

Hoogbegaafden in de muziek spreken sterk tot de verbeelding; ze worden soms zelfs wonderkinderen genoemd. Omdat muziekscholen niet in staat zijn hen individueel te begeleiden en muziek in het gewone onderwijs als "aardige franje" beschouwd wordt, genieten ze hun opleiding doorgaans eerst bij een privéleraar, om vervolgens een muziekvakstudie, vaak tegelijk met een middelbare schoolopleiding, te volgen.

Leo Samama vindt dat er in Nederland voor uitzonderlijk getalenteerden weinig ruimte is zich te ontplooien, en dat zowel op conservatoria als in het gewone onderwijs te weinig aandacht is voor geestelijke verrijking.

i. Omvang

Hoewel definities evenzovele percentages van de bevolking aangeven als hoogbegaafd, variërend van 20% tot 0.1%, lijkt de realistische orde van grootte mij rond 1% te liggen.

j. Over jongens en meisjes

Waargenomen verschillen in prestaties tussen jongens en meisjes worden meestal aan sociale factoren en de inhoud van de tests geweten.

k. Waar de deskundigen over zwegen

Paranormale begaafdheden, zoals psychokinese, telepathie en helderziendheid, worden kennelijk niet tot het terrein van de hoogbegaafdheid gerekend. Ook over het verschijnsel dat zeer hoog begaafden niet gelijkmatig gespreid maar geconcentreerd in bepaalde streken en perioden geboren worden (dit hoorde ik van de deskundige Tom de Vree), heb ik in deze boeken niets gelezen.

l. Literatuurlijst

4. Over het ontstaan van aanleg

Ik heb een weerzin tegen het woord hoogbegaafdheid, omdat het ondubbelzinnig spreekt over een gave. Weliswaar zijn de verschillen tussen mensen zo groot, dat we wel MOETEN aannemen dat aanleg bestaat, maar aanleg hoeft geen gave, erfelijk of anderszins, te zijn. Ter verduidelijking het volgende:

Tijdens de zwangerschap ontwikkelt de bevruchte eicel zich door celdeling tot een mens. Deze ontwikkeling van eenvoud tot complexiteit geschiedt volgens in het D.N.A. opgeslagen regels, en is tot in details voorbestemd.

In en tussen sommige cellen vinden electrische en chemische impulsen plaats, die op hun beurt een steeds complexer wordende gebeurtenissenstructuur vormen. Wanneer een bepaalde mate van complexiteit bereikt is, ontstaat in de hoger niveau's van deze structuur het bewustzijn. Dit begint zich onmiddellijk te ontwikkelen tot een individu, en deze ontwikkeling is niet voorbestemd maar wordt bepaald door de wisselwerking tussen prikkels, reacties daarop, en het ontstaande individu zelf.

Hierin speelt wat men toeval noemt een rol, zodat het individu dat uiteindelijk geboren wordt er een is uit zeer velen die het had kunnen zijn.

Dit verklaart

  1. de grote verschillen in aanleg tussen mensen en
  2. waarom "begaafde" kinderen lang niet altijd "begaafde" ouders hebben en omgekeerd.

De ontwikkeling van geestelijke vermogens verloopt als volgt:

De ontwikkeling van geestelijke vermogens verloopt als volgt:

Over apen

Hoogbegaafden in de samenleving moeten de kans krijgen zich optimaal te ontwikkelen. Om dat te bereiken kan speciale aandacht voor hen nodig zijn in opvoeding, onderwijs en andere delen van de samenleving.

Er wordt gezegd dat dat de verschillen tussen mensen nog groter maakt dan ze al zijn, maar het is voor mij duidelijk dat problemen, veroorzaakt door het afremmen van hun ontwikkeling, bijzonder veel ernstiger zijn dan die, die door verschillen tussen mensen veroorzaakt worden.

Omdat de meerderheid der mensen niet hoogbegaafd is en dit alles niet zal constateren en begrijpen, zijn grote moeilijkheden bij het uitvoeren van de oplossing inherent aan dit probleem. Ik zie twee redenen om het toch te willen oplossen:

  1. De hoogbegaafden zullen gelukkiger zijn;
  2. De mensheid zal ervan profiteren:

Diepe inzichten worden vaak niet als zodanig herkend en zelfs als bedreigend ervaren. Ik denk hierbij aan Socrates en Galilei, maar ook in onze tijd waarin iedereen een eigen mening moet hebben is dit niet denkbeeldig. Het is de kern van alle problemen rond hoogbegaafdheid en stond mij dan ook voortdurend voor ogen tijdens het schrijven van deze speciaalstudie pedagogiek/psychologie.

5. Over gitaarles

Ook "gemiddeld" -begaafden kunnen met motivatie en inzet tot hoge prestaties komen, aangezien de drie componenten van het triadisch model ontwikkelbaar zijn, en volharding er een van is.

Helaas weten zij dit zelf niet altijd; hoe vaak hoor ik niet in mijn praktijk: "Zo goed als jij zal ik het wel nooit leren, want jíj hebt talent!"

Deze houding moet bestreden worden door hen te laten ervaren dat het wél mogelijk is te leren wat ze willen leren. Het lesrepertoire en de benadering zullen aangepast moeten zijn aan het ontwikkelingspeil en de interesses van een leerling, zodat hij niet overvraagd en niet betutteld wordt.

Zolang gitaarlessen individueel of in kleine groepjes plaatsvinden moet dit mogelijk zijn.

Lieshout, 4 maart 1991.

6. Naschrift december 2006

Bij de mondelinge bespreking van dit met een acht bekroonde werkstuk kreeg ik onverwacht niet met mijn psychologiedocent maar met mijn oude didaktiekdocent te maken. De psychologiedocent had, zo begreep ik, niet geweten wat hij ermee aan moest, en de taak gedelegeerd. Er werd mij onder andere gevraagd waarom ik dit onderwerp gekozen had. Een vreemde vraag vond ik, want het stond duidelijk vermeld onder punt 2., Onderwerpkeuze: omdat het mijzelf aanging.

De docent was verbaasd. Dus ik zou hoogbegaafd zijn? "Dat had ik nooit achter jou gezocht. Ik heb je altijd als een middelmatige leerling gezien..." Kort daarna moest hij stoppen met werken wegens doofheid.

In de jaren na het voltooien van mijn conservatoriumstudie heb ik veel meer over hoogbegaafdheid en intelligentie geleerd dan ik in 1991 wist. Met name ben ik in aanraking gekomen met wat men de "London school" noemt; de stroming in intelligentieonderzoek die de rol van erfelijkheid serieus neemt, evenals de verschillen tussen rassen en seksen. In 1991 was ik er, door zelfwaarneming en familieachtergrond, van overtuigd dat erfelijke of genetische aanleg niet bestaat, iedereen gelijk geboren wordt, en verschillen tussen mensen door toeval en vrije keuze tot stand komen. Overigens geloofde ik ook toen absoluut niet dat sociale omgeving ook maar enige rol speelt, vooral omdat ik bij mijzelf waarnam dat mijn kwaliteiten van binnenuit kwamen en niet aangeleerd of beïnvloed waren door opvoeders of onderwijzers.

Door ervaring als gitaardocent, eigen bezigheden met I.Q.-tests en studie van serieuze wetenschappelijke literatuur over intelligentie (die ik in 1991 nog niet kende en in het Nederlands waarschijnlijk ook niet bestond) ging het mij langzaam dagen dat er iets niet klopte met mijn overtuiging. Niettemin duurde het tot na de millenniumwisseling voor ik kon accepteren dat genetische of erfelijke aanleg een overwegende rol speelt in het bepalen van intelligentieverschillen tussen mensen. Het wetenschappelijk bewijs hiervoor is onomstotelijk, en geen serieuze wetenschapper twijfelt er nog aan. Ik vermeld dit leerproces met nadruk omdat ik weet dat veel hoogintelligenten, vooral als zij jong zijn, geneigd zijn te denken dat iedereen in wezen dezelfde mogelijkheden heeft, en het afhangt van vrije keuze, motivatie, inzet en hard werken of je die verwezenlijkt. Zulke mensen - waarvan ikzelf het schoolvoorbeeld ben - schrijven hun verdiensten toe aan persoonlijke inzet en wilskracht, inplaats van aan aangeboren talent. Hoewel deze zienswijze sympathiek en goedbedoeld is, is zij feitelijk onjuist, oneerlijk tegenover minder getalenteerden, en in sommige vormen schadelijk voor de maatschappij, omdat denkrichtingen als marxisme, socialisme, communisme, egalitarisme en politiek-correctheid deels voortkomen uit deze foute maar voor sommige intelligenten zo natuurlijke en vanzelfsprekende overtuiging.

Overigens is het volkomen juist dat motivatie, inzet, wilskracht en hard werken extreem belangrijk zijn bij het ontwikkelen van talent. Echter, uitgerekend die zaken zijn eveneens zeer ongelijk verdeeld, en misschien wel in eenzelfde mate aangeboren als intelligentie of muzikale aanleg zelf.

Hierna volgen enige nieuwe inzichten en opmerkingen bij bepaalde punten uit het artikel:

Bij 1. Introductie

Grotendeels sta ik hier nog achter. Bij de problemen uit de laatste paar paragrafen van 1. wil ik wel het volgende opmerken:

Een hoge intelligentie op zichzelf veroorzaakt nooit problemen. Dat geloofde ik toen (1991) niet, en nu nog steeds niet. De problemen die zich niettemin voordoen bij sommige hoogintelligenten hebben naar mijn huidige inzichten de volgende oorzaken:

  1. Net als bij gewone mensen komen ook bij hoogintelligenten psychiatrische en/of neurologische stoornissen voor, al neemt de frequentie daarvan af naarmate het I.Q. stijgt (eigen onderzoek). Deze stoornissen veroorzaken sociale problemen die soms foutief voor "hoogbegaafdheidsproblematiek" aangezien worden, wellicht omdat dat meer "status" heeft;
  2. Hoogintelligenten die geboren worden en opgroeien in lagere sociale klassen, waar intellectuele prestaties niet herkend of gewaardeerd worden en bijna iedereen veel minder intelligent is dan de hoogintelligente, kunnen geblokkeerd worden in hun ontwikkeling. De intelligentie wordt niet opgemerkt, er is geen opvoeding of onderwijs op het eigen niveau, er heerst een marteldodende druk tot conformeren aan de groepsnorm (en die is: domheid). Daardoor komen hun talenten pas tien, twintig of meer jaren later tot uiting dan bij hoogintelligenten uit intellectuele of middenklassemilieus, of zelfs helemaal niet. Ook veroorzaakt dit zeer veel psychologisch leed bij de betrokkene. Dit is het ernstigste probleem rond hoge intelligentie. Traditioneel doet dit zich voor in autochtone arbeidersmilieus, maar tegenwoordig zou men het ook moeten verwachten in bepaalde allochtone milieus waar de culturele patronen nog erg inperkend zijn.

Bij 3. Deskundigen

Met J. Rebel-Runckel heb ik in die tijd een persoonlijk gesprek gevoerd, waarin zij mij onder andere aanried lid van een bepaalde vereniging voor hoogintelligenten te worden, wat ik enkele jaren later gedaan heb. Zij bood ook aan me te testen, maar vanwege de kosten ging ik daar niet op in.

Met P. Span heb ik in de vroege jaren negentig een korte correspondentie gehad over de mogelijkheid via tests vast te stellen of iemand boven het 99.9de centiel in intelligentie zit. Volgens Span was dat niet op een betekenisvolle manier mogelijk. Soortgelijke antwoorden kreeg ik van enkele anderen die zich in die tijd met hoogbegaafdheidsonderzoek en advies bezig hielden.

Bij a. Definiëring en model

Omdat men het woord "hoogbegaafdheid" ook van toepassing laat zijn op het kunstzinnige, het sociale en het lichamelijke vlak, geef ik de voorkeur aan de term "hoge intelligentie". Intelligentie is de meest centrale, algemene, gemeenschappelijke, alternatief aanwendbare, meetbare factor in menselijke kwaliteit. Het is de top van de evolutionaire piramide. Overigens vind ik dat bepaalde andere persoonlijkheidskenmerken, zoals die op het vlak van consciëntieusheid, ook thuishoren in een begaafdheidsbegrip. Maar omdat die zaken nog niet goed meetbaar zijn, en in sommige gevallen leerbaar of verbeterbaar, kan ik daar nog geen precieze definitie van geven. Dit bredere begaafdheidsbegrip noem ik creativiteit; voor verdere gedachten erover verwijs ik naar mijn artikelen over creativiteit en genialiteit. Creativiteit vind ik nog belangrijker dan intelligentie, en in zekere zin heb ik voor mijzelf het begrip "hoogbegaafdheid" vervangen door "creativiteit". Omdat echter sommige aspecten van creativiteit misschien niet aangeboren zijn, is ook hier de het woord "begaafdheid" in mijn ogen niet passend.

De grens waarboven men van "hoogintelligent" mag spreken ligt naar mijn waarneming bij het 996ste milliel op intelligentietests die valide zijn in dit gebied. Dit ligt boven het effectieve meetbereik van in de reguliere psychologie gebruikte tests.

Bij b. Spreiding van de intelligentie

Ondertussen weet ik dat intelligentie alleen deze vloeiende, normale verdeling vertoont voorzover die intelligentie genetisch bepaald is. De toevallige herverdeling van genen tussen generaties geeft zo'n verdeling, vergelijkbaar met de verdeling die men ziet na een groot aantal dobbelsteenworpen. Waar de oorzaak anders dan genetisch is wijkt de verdeling af. Dit is het geval in het gebied van de zeer lage intelligentie, ruwweg onder I.Q. 30. Statistisch zou je daar zeer weinigen verwachten, maar in werkelijkheid zit daar wel degelijk een "bult". Dit komt doordat zulke lage I.Q.'s vrijwel altijd niet-genetische oorzaken hebben, zoals hersenschade opgedaan tijdens de zwangerschap, rond de geboorte of later in het leven. Het woord "zwakbegaafdheid" is hier dan ook niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een "gave" (van de ouders via de genen).

Meer gematigde vormen van mentaal-gehandicapt-zijn - zeg I.Q. 30-70 - zijn daarentegen wel bijna altijd erfelijk bepaald. Daar zou het woord "zwakbegaafd" dus goede diensten bewijzen (want het is inderdaad een gave via de genen), maar vreemd genoeg schijnt men dat woord tegenwoordig te willen reserveren voor het gebied er net boven, I.Q. 70-85, de bijna-gehandicapten. Voor daadwerkelijk zwakbegaafden of zeer laag intelligenten heeft men in de loop der tijd steeds politiek correctere eufemismen bedacht om maar niet te "kwetsen"; eerst sprak men van imbecielen, debielen, moronen en idioten. Daarna ging het over achterlijken. Toen werden het geestelijk gehandicapten of zwakbegaafden, en toen weer verstandelijk gehandicapten. Ook kreeg je termen als "zeer moeilijk lerende kinderen", en sommige stonden zelfs op "anders-begaafden", maar dat laatste is gelukkig nooit echt aangeslagen. Tegenwoordig is vooral "leerachterstand" in zwang. "Kinderen met een leerachterstand" hoor je dan in het journaal; men bedoelt laagintelligenten maar durft dat niet te zeggen. Zo'n woord blijft slechts in algemeen gebruik zolang de meeste mensen niet doorhebben wat ermee bedoeld wordt. Zodra uitlekt dat het gewoon weer een synoniem voor "laagintelligent" is moet men op zoek naar een nieuw, nog verhullender eufemisme.

De eventuele afwijkingen aan de bovenkant van de verdeling bespreek ik hier niet, omdat ik mij daar elders mee bezighoud.

Bij d. Problemen en e. Opvang in het onderwijs

Mijns inziens de beste oplossing is een hervorming van het onderwijs als volgt:

Een scheiding in enkele niveaustromen op vroege leeftijd, bijvoorbeeld na een of twee jaar basisonderwijs. Men wordt ingedeeld op basis van ontwikkelingsniveau, niet op basis van leeftijd. Overspringen tussen niveaus moet altijd mogelijk blijven - na selectie natuurlijk - omdat de individuele ontwikkelingscurven verschillen. Voorkomen moet worden dat allen tot in de tienerjaren ongeselecteerd bij elkaar zitten, wat een enorm remmend effect heeft op de beteren. Uiteraard moet dit naadloos overgaan in wat nu het secundair en universitair onderwijs is. Men kan zich bijvoorbeeld voorstellen dat de hoogste stroom in de latere tienerjaren het niveau van een afgesloten universitaire opleiding bereikt, terwijl de laagste stroom rond die leeftijd het huidige eindniveau van de basisschool benadert. Waarschijnlijk zijn minstens drie stromen nodig, die zich eventueel nog verder splitsen naarmate men vordert.

Bij i. Omvang

Zoals ik hierboven al schreef vind ik "hoogintelligent" toepasselijk vanaf het 996ste milliel; vanwege de onvolmaakte correlatie tussen tests is daarmee ongeveer .6 tot .7 % van de bevolking geselecteerd.

Tegenwoordig noemt men iedereen met een score op of boven het 98ste centiel wel "hoogbegaafd". Dit is te ruim, enerzijds omdat die norm te laag is, en anderzijds omdat men factoren als consciëntieusheid en associatieve horizon niet in aanmerking neemt. Ik bespreek die factoren in mijn artikelen over creativiteit en genialiteit.

Bij j. Over jongens en meisjes

Het belangrijkste gegeven op dit punt is dat meisjes zich tot het begin van de puberteit mentaal sneller ontwikkelen dan jongens. Daardoor geven intelligentietests, schoolprestaties en dergelijke een sterk vertekend beeld ten opzichte van de stand van zaken bij volwassenen. Voor sekseverschillen in intelligentie bij volwassenen verwijs ik naar mijn artikelen over dat onderwerp. Zodra de puberteit begint en het testosteron gaat werken halen jongens hun achterstand in, terwijl bij meisjes de ontwikkeling vanaf dat moment vooral lichamelijk blijft.

Als gevolg van deze vertekening zal de argeloze tester bij kinderen altijd veel meisjes ten onrechte als "hoogbegaafd" identificeren, en veel jongens ten onrechte niet als hoogbegaafd identificeren. Het verraderlijke is dat men dit niet in de gaten heeft - de aantallen hoogbegaafde jongens en meisjes zijn immers ongeveer gelijk - omdat men doorgaans niet weet dat bij volwassenen zeer veel meer mannen dan vrouwen hoogintelligent zijn. Een oplossing is om bij kinderen altijd aparte normen per geslacht te gebruiken. Maar ook dan moet men zich ervan bewust blijven dat de sekseverschillen pas in de volwassenheid tot volle uiting komen, en kinderscores bedrieglijk zijn bij de vergelijking tussen de geslachten. Bedrieglijk in het nadeel van jongens.

Bij k. Waar de deskundigen over zwegen

Het geconcentreerd voorkomen van genialiteit in bepaalde perioden, en gelijktijdig in verschillende delen van de wereld, wordt besproken door Hans Eysenck in zijn boek Genius. Er bestaan meerdere theorieën over, maar de volgens Eysenck meest waarschijnlijke is die welke een verband met zonne-activiteit veronderstelt; een zonnevlekminimum bevordert creativiteit, een maximum daarentegen wordt opmerkelijk vaak vergezeld door oproer, oorlogen, revoluties, massamigratie en dergelijke.

Bij l. Literatuurlijst

Enkele aanvullingen:

Conclusie

Het hele "hoogbegaafdheidsvraagstuk" kan uiteindelijk samengevat worden als volgt:

Onze samenleving houdt zich te zeer blind en doof voor de grote verschillen in menselijke kwaliteit, en wil daardoor mensen "gelijk" behandelen die niet gelijk zijn.